Colors: Blue Color

0
0
0
s2smodern

Download hier een pdf van dit artikel.

Het waterstructuurplan voor de gemeente ’s-Hertogenbosch is eind 2012 vastgesteld door de gemeente en waterschap Aa en Maas. Het plan bevat ook het hemelwaterbeleid, dat specifiek is toegespitst op de lokale situatie van het bijzondere watersysteem. Verbeterd inzicht in de werking van het watersysteem leidde tot een nieuwe visie op het hemelwaterbeleid.

Lees meer...

0
0
0
s2smodern

Download hier een pdf van dit artikel.

In het oppervlaktewater van het veenweidegebied van hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) bevinden zich hoge nutriëntenconcentraties. De normen voor stikstof en fosfaat worden op sommige locaties wel vijf keer overschreden. Hierdoor ontstaan problemen als overmatige kroos- en algenbloei en afname van de biodiversiteit en worden de KRW-doelstellingen niet gehaald. De provincie Utrecht stelde de projectgroep ‘Nutriënten veenweidegebied’ in, waarin agrariërs, leden van LTO, de koepelorganisatie van agrarische natuurverenigingen, onderzoekers en adviesbureaus vertegenwoordigd zijn. De projectgroep zoekt maatregelen die de waterkwaliteit kunnen verbeteren. De maatregelen dienen als input voor de gebiedsprocessen van de KRW-plannen (tweede fase).

Lees meer...

0
0
0
s2smodern

Download hier een pdf van dit artikel.

Na de hoge waterstanden in 1993 en 1995 is besloten de dijken te verbeteren en daarna regelmatig te toetsen. Tussen 1996 en 2011 hebben drie toetsronden plaatsgevonden. Momenteel wordt de verlengde derde toetsronde uitgevoerd waarvan de eindrapportage volgt in 2013. Een van de te toetsen facetten is de dijkbegroeiing. De samenstelling van de dijkvegetatie is bepalend voor de erosiebestendigheid van de taluds en de kruin. In de 90er jaren heeft de Landbouwuniversiteit in Wageningen1) 2) 3) verschillende onderzoeken uitgevoerd om de relatie te onderzoeken tussen enerzijds grondsoort, inzaai, vegetatiesamenstelling en beheer en anderzijds erosiebestendigheid. De resultaten van deze onderzoeken zijn gebruikt in het Voorschrift Toetsen op Veiligheid Primaire Waterkeringen (VTV20064)) die nu wordt gehanteerd bij de toetsing.

Lees meer...

0
0
0
s2smodern

Download een pdf van dit artikel.

Waterschap Aa en Maas heeft in het Waterbeheerplan beschreven dat in de planperiode 2010-2015 circa 6.300 ha aan verdroogde natuurgebieden aangepakt wordt. Zoals afgesproken in de intentieverklaring ‘Aanpak en monitoring van verdroging in Noord-Brabant’ van provincie, terreinbeheerders, waterschappen en waterleidingmaatschappij Brabant Water is het waterschap verantwoordelijk voor de realisatie en monitoring van een aantal verdroogde natuurgebieden. Het waterschap dient ervoor te zorgen dat aan de waterhuishoudkundige randvoorwaarden (OGOR) wordt voldaan om de doelstellingen voor deze verdroogde natuurgebieden te kunnen behalen. Het bereiken van de waterhuishoudkundige randvoorwaarden alleen is echter niet altijd voldoende om de doelen te bereiken. Ook de grondwaterkwaliteit moet voldoen aan de standplaatseisen van de gewenste grondwaterafhankelijke vegetatie.

Lees meer...

0
0
0
s2smodern

Download hier een pdf van dit artikel.

Het drinkwater van een drietal productiebedrijven van Vitens wordt ontkleurd met ionenwisselaars om de onaantrekkelijke gele kleur te verwijderen. Bij het ontkleuringproces komt een reststroom vrij van water met daarin opgelost keukenzout en humuszuur. Deze reststroom wordt met tanktransporten afgevoerd naar de AVR in Rijnmond. Kosten: een half miljoen per jaar. Afhankelijk van de samenstelling en de concentratie heeft humuszuur echter een enorme marktwaarde. Met een pilotonderzoek heeft Vitens aangetoond dat het mogelijk is om met diafiltratie de reststroom grotendeels te reduceren: 80% van het water en bijna al het zout wordt onttrokken, het zoute residu kan worden opgewerkt tot een concentratie die weer gebruikt kan worden als regeneratiemiddel voor de ontkleuringinstallatie, en de humuszuren worden opgewaardeerd tot een grondstof voor de agrarische sector. Deze pilot heeft ertoe geleid dat in 2013 op locatie Spannenburg een installatie operationeel zal zijn, die een Zero Liquid Discharge bedrijfsproces (ZLD) van deze reststroom realiseert. Vitens heeft hiermee een nieuw business model waarbij duurzaamheid, toegepaste innovatie en economische drive hand-in-hand gaan.

Ontkleuring

Het grondwater van de productielocaties Oldeholtpade, Spannenburg en Sint Jansklooster wordt gekenmerkt door relatief hoge kleur- en TOC-concentraties. Deze kleur wordt veroorzaakt door organische stof die ook wel humuszuur wordt genoemd. Op Oldeholtpade is in 2006 de eerste ontkleuringinstallatie op basis van ionenwisseling in bedrijf genomen [1], in 2010 en 2011 volgden de andere twee locaties. Belangrijke kenmerken van de installaties zijn de relatief zware belasting van de IEX-hars, het drievoudig hergebruik van het regeneratiemiddel en het beperken van de reststroom door toepassing van nanofiltratie.
Door de IEX-hars relatief hoog te belasten, tot 150 g KMnO4/l hars, in combinatie met een hoge snelheid, tot 60 m/uur, is het mogelijk volledige ontkleuring in een naar verhouding kleine installatie te realiseren. Na verloop van 2 tot 3 weken zijn de harsbedden verzadigd en worden ze geregenereerd met een keukenzoutoplossing, waarbij de startconcentratie 10% bedraagt. Door de hoge startconcentratie en het drievoudig hergebruik blijft het benodigde volume aan regeneratiemiddel op de productielocaties beperkt. Toepassing van nanofiltratie zorgt voor een grote volumevermindering van de reststroom en hergebruik van keukenzout.
De reststroom heeft een totale omvang van 4100 m3/j (tabel 1). Dit is gezien de productiecapaciteit van de locaties een geringe reststroom. Echter door de hoge concentraties aan natriumchloride (3-4%) en organische stof (5-8%) mag het materiaal niet worden geloosd op de gemeentelijke riolering. Daardoor was het noodzakelijk een andere oplossing te zoeken. Toen alleen Oldeholtpade in bedrijf was, werd de reststroom per tanktransport afgevoerd naar de rwzi te Harlingen. Na de inbedrijfstelling van de installatie te Spannenburg werd de reststroom dusdanig hoog dat de kwaliteit van het rwzi-effluent negatief werd beïnvloed. Sinds begin 2011 is Vitens genoodzaakt de reststroom van alle drie de locaties per tanktransport af te voeren naar AVR Rozenburg. De kosten voor de afvoer van deze reststroom liggen rond de half miljoen euro per jaar.

Tabel 1. Jaarlijkse reststroom van de ontkleuringinstallaties

1306-02Tabel 1

Onderzoek naar ZLD bedrijfsvoering

Al kort na de inbedrijfname van de eerste installatie in 2006 is gezocht naar een methode om de reststroom zoveel mogelijk te beperken en bij voorkeur te streven naar een Zero Liquid Discharge (ZLD) bedrijfsvoering. Hierbij is gefocust op de afbraak van humuszuren (het probleem) zodat het zout kan worden hergebruikt voor het regeneratieproces. Verschillende methoden zijn onderzocht, echter allen waren in de praktijk moeilijk realiseerbaar.

1306-02 Afbeelding 1
Afbeelding 1. Waardevolle eigenschappen van humuszuren


Humuszuren: de markt

De oplossing lag in het omdraaien van onze focus. Het probleem niet als probleem maar als kans te zien. Intern is een dedicated team opgericht met als doel  de markt te verkennen vanuit het ‘groene-weide-principe’. Niet te denken vanuit het product maar vanuit de markt. Door de afdeling Business Development van Vitens is een uitgebreide marktscan uitgevoerd. Daaruit kwam naar voren dat humuszuren juist waardevolle stoffen zijn, met uiteenlopende toepassingen in de land- en tuinbouw, zaadveredeling en zelfs als supplement in de diervoeding [2]. De meest voorkomende toepassing is als bodemverbeteraar. Humuszuren staan bekend om hun waardevolle eigenschappen (zie afbeelding 1) [3]. Ze verbeteren de bodemstructuur, waardoor water en nutriënten worden vastgehouden en deze beter worden opgenomen door gewassen. De humuszuren die in Nederland worden verkocht zijn met name afkomstig uit de VS. Deze humuszuren worden via een chemisch procedé uit bruinkool gewonnen. Humuszuren uit de reststroom van drinkwaterontkleuring zijn veel zuiverder en kunnen in de agrarische sector worden ingezet als 100% duurzame en hoogwaardige bodemverbeteraar. Dit betekent grote logistieke voordelen en lagere kosten. Bovengronds profiteert de boer direct van de toepassing van humuszuren door een hogere gewasopbrengst en reductie van gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Ondergronds verbetert de grondwaterkwaliteit door de verminderde uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen en door een bevordering van de lokale biodiversiteit. Bovendien wordt als belangrijk neveneffect de drinkwaterkwaliteit op lange termijn gewaarborgd.


Om deze kans te realiseren moest de reststroom op twee punten aangepast worden aan de vraag van de markt: 1) verlaging van het zoutgehalte en 2) verhoging van de humuszuurconcentratie. In het onderzoek naar een ZLD-bedrijfsvoering van drinkwaterontkleuring is daarom gericht gezocht naar een proces waarin het zout in de reststroom gescheiden wordt van de humuszuren. Hierdoor wordt niet alleen de mogelijkheid gerealiseerd van hergebruik van het zout als regeneratiemiddel, maar ook van de verrijking (valorisatie) van humuszuren als waardevolle grondstof.

1306-02 Afbeelding 2 diafiltratie
Afbeelding 2. Diafiltratie is een uitwasproces gebaseerd op membraanfiltratie


Het membraan wordt zo geselecteerd dat de gewenste stof (in dit geval de organische stof) zo volledig mogelijk wordt tegengehouden. Het membraan dient de ongewenste stof (in dit geval natriumchloride) bij voorkeur volledig door te laten. Tijdens diafiltratie wordt de ongewenste component voortdurend uitgewassen door drinkwater aan de voedingstank toe te voegen. Hoe langer er wordt uitgewassen, des te zuiverder wordt de oplossing met de gewenste stof(fen).


Diafiltratie pilot

Diafiltratie is een scheidingstechniek die vaak wordt toegepast binnen de zuivelindustrie en de (bio)farmacie. Om te bepalen in hoeverre diafiltratie geschikt is als scheidingstechniek voor het ontzouten van de reststroom is een pilotonderzoek uitgevoerd. Hiervoor is een batch van 200 liter reststroom van productiebedrijf Spannenburg gebruikt. Bij diafiltratie is de keuze van het membraan cruciaal. In het verleden heeft onderzoek aangetoond dat het TrisepXN45-membraan een bijna volledige retentie heeft voor organische stof en tegelijkertijd volledig permeabel is voor natrium- en chloride-ionen. Deze nanofiltratiemembranen worden reeds toegepast in de DENF-installaties op Spannenburg en Sint Jansklooster en zijn voor het pilotonderzoek gebruikt.
Met een recirculatiepomp is een cross-flow over het membraan gecreëerd om te voorkomen dat het organisch materiaal in de oplossing fouling zou veroorzaken op het membraanoppervlak. De omvang van de cross-flow is gelijk gehouden aan die in de nanofiltratie-installaties op Spannenburg en Sint Jansklooster. Tijdens het onderzoek is de voedingsdruk lager gehouden dan 15 bar, ook dit is conform de maximale voedingsdruk van de bestaande praktijkinstallaties. Om de robuustheid van de techniek te kunnen vaststellen zijn er meerder batches behandeld met diafiltratie.


Tabel 2. Resultaten van de diafiltratie-pilot

1306-02Tabel 2


Eerste ervaringen in de pilot

Uit de pilot bleek dat reststroom (40 g NaCl/l) met diafiltratie te ontzouten is tot een concentratie minder dan 1 g NaCl/l (zie tabel 2), vrijwel zonder verlies van humuszuren. Het volume waswater benodigd om deze zoutconcentratie te bereiken was 550 l, dus minder dan driemaal het uitgangsvolume. Het filtraat had een concentratie van 25 g NaCl/l (gemiddeld). Naarmate het diafiltratieproces langer doorliep, werd de concentratie NaCl in het filtraat steeds lager. Op een bepaald moment was het gehalte zo laag dat de opvang van het permeaat gestaakt is, in feite was het drinkwater.
De TOC-concentratie van het diafiltratieproduct bleef nagenoeg gelijk aan die van het uitgangsmateriaal. Het geringe verlies van TOC was grotendeels te wijten aan opwarming. Het membraan wordt daardoor meer permeabel voor de relatief grote humuszuur moleculen. Deze opwarming tot ca. 30 oC werd veroorzaakt door de pompenergie, deze werd met de toegepaste pilotinstallatie weg gesmoord.
Voor reiniging van de diafiltratiemembraan kon worden volstaan met enkel een waterreiniging. Dit komt overeen met de ervaring die is opgedaan met de bestaande installaties. Ook deze hebben sinds de in bedrijfstelling geen chemische reiniging ondergaan terwijl de membraanperformance na twee jaar (Spannenburg) niet is verslechterd.

Voortzetting pilot: concentratie na diafiltratie

Wanneer een dergelijk systeem in de praktijk zou worden toegepast zou weliswaar het product bestaan uit grotendeels ontzout organisch materiaal, maar het volume zou nog steeds gelijk zijn aan de startsituatie. Daarom is het pilotonderzoek voortgezet door het diafiltratieproduct, de humuszuuroplossing, verder te concentreren. Voor deze stap zijn dezelfde procesomstandigheden gebruikt, met uitzondering van de toegepaste voedingsdruk. Een steeds hogere druk is nodig om de flux te handhaven, omdat tijdens het concentratieproces de hoeveelheid droge stof in de te behandelen vloeistof toeneemt. Tijdens het onderzoek is de druk stapsgewijs opgevoerd tot de maximale toelaatbare druk van 45 bar.
Met deze procesomstandigheden is het oorspronkelijke volume van 200 l gereduceerd tot 55 l, een indikkingfactor van bijna 4 (Tabel 3). Net als tijdens de diafiltratie was de toename van de temperatuur van grote invloed. Tijdens het concentratieproces nam de druk toe tot 45 bar, waardoor de temperatuur van de vloeistof navenant steeg tot 40oC. Het gevolg hiervan was dat het gehalte organisch materiaal in het filtraat door de hogere permeabiliteit van het membraan toenam. Dit leverde een ongewenst verlies van 21% humusmateriaal en een sterk energieverlies op.


Tabel 3. Samenvatting van de pilot: diafiltratie en concentratie

1306-02 Tabel 3

 

Laatste stap in de pilot: hergebruik van zout en water door middel van reverse osmose

Voor verlaging van het zoutgehalte met een factor 40 was een waswatervolume nodig van ongeveer 3 maal het uitgangsvolume. Om zoveel mogelijk te voldoen aan een ZLD-bedrijfsvoering werden ook het zoute filtraat van het diafiltratieproces en het licht-zoute restwater van het concentratieproces behandeld, met omgekeerde osmose (RO). Hierbij werd het zoutgehalte zodanig verhoogd dat hergebruik in het regeneratieproces van de ontkleuringinstallatie mogelijk werd. Het niet-zoute waterige restant uit de RO-installatie bleek geschikt als waswater in het diafiltratieproces.

Opschaling: een nieuwe installatie op Spannenburg

Gebaseerd op het pilotonderzoek wordt op productiebedrijf Spannenburg een installatie gerealiseerd die de totale reststroom van de drie productielocaties Spannenburg, Oldeholtpade en Sint Jansklooster zal verwerken. Deze installatie is in juli 2013 operationeel en zal, inclusief opslagtanks voor de verschillende media, worden geplaatst in een apart gebouw (afbeelding 2). Ten opzichte van het pilotonderzoek zal de praktijksituatie uitgevoerd worden met een aantal aanpassingen teneinde de efficiency te vergroten.

  1. Diafiltratie is een batchproces. De installatie die op Spannenburg zal worden gebouwd (zie afbeelding 3) zal gebaseerd zijn op de dagelijkse aanvoer van reststroom van de drie locaties. Omdat de totale reststroom van de drie locaties ongeveer 4100 m3/j bedraagt wordt er een installatie gerealiseerd die ruim 11 m3 per dag kan verwerken. Om de omvang van de nieuw te bouwen installatie zoveel mogelijk te beperken is het van groot belang dat de te verwerken vloeistofstromen zo gering mogelijk zijn. Daarom is gekozen om de concentratiestap als eerste uit te voeren. Hierdoor wordt de hoeveelheid uitgangsmateriaal voor diafiltratie gereduceerd met een (beoogde) factor 4. De benodigde hoeveelheid waswater voor de diafiltratie wordt dan eveneens een factor 4 lager. De verwerking van het permeaat van zowel de concentratiestap als de diafiltratiestap door de RO-installatie, levert waswater op voor het diafiltratieproces (hergebruik) en regeneratiezout voor de ionenwisselaar. Net zoals tijdens het pilotonderzoek worden concentratie en diafiltratie in één installatie uitgevoerd, wat inhoudt dat de diafiltratietank zal worden uitgevoerd als hogedruktank die bestand is tegen een druk tot 50 bar. Dit beperkt de footprint van het totaal.
  2. Om een zo hoog mogelijke energie-efficiency te bereiken wordt de recirculatie binnen het hogedruksysteem gehouden. Aangezien de recirculatieflow (waswater) relatief hoog is t.o.v. het voedingsdebiet (het uitgangsmateriaal) is het dan enkel nodig de voedingsflow op de gewenste hogedruk te brengen. De recirculatiepomp zorgt voor een grote flow bij een relatief lage druk, de voedingspomp zorgt voor de hoge druk bij een laag debiet. Dit is analoog aan de bestaande DENF-installaties op de drie locaties. Dit zorgt ervoor dat het energieverbruik beperkt blijft en het ongewenste neveneffect van opwarming van de te behandelen vloeistof niet optreedt. Het verlies van organisch materiaal in het filtraat zal dan ook minder sterk optreden dan in de pilotsituatie
  3. Tijdens het diafiltratieproces wordt door uitwassing het zoutgehalte in het filtraat lager naarmate het proces vordert. Op een bepaald moment is de concentratie dermate laag dat het niet rendabel is om dit met RO te concentreren. Dit moment wordt bepaald door het elektrisch geleidingvermogen te meten. Is de concentratie laag genoeg, dan wordt deze stroom weggemengd met drinkwater.

1306-05 afb3 installatie Spannenburg 6JUNI

Afbeelding 3. De nieuwe installatie in Spannenburg Waswater wordt alleen toegevoegd aan Voedingstank I tijdens de diafiltratie-stap (dus niet tijdens de concentratie van het uitgangsmateriaal die daaraan voorafgaat).

Als we de resultaten van de pilot extrapoleren naar de nieuwe installatie op Spannenburg, dan zal deze de totale reststroom van 4.100 m3 omzetten in 810 m3 humuszuurproduct per jaar. Dit product bestaat uit minder dan 0,25% zout en 20% humuszuur. Met dit product is een eerste veldproef met witte kool gedaan om de effectiviteit als meststof te bepalen. Uit de resultaten is naar voren gekomen dat toepassing van deze humuszuren zeer effectief is en een meeropbrengst van 7% gaf ten opzichte van standaardbemesting. Het volume, de samenstelling en de effectiviteit voldoen hiermee ruim aan de producteisen voor de toepassing van humuszuren als bodemverbeteraar voor de gehele Nederlandse markt. Vitens wordt hierdoor naast grootproducent van de waardevolle grondstof water, nu ook producent van de waardevolle grondstof humuszuren.

Conclusie

Een vraag in de markt naar grondstoffen (i.c. humuszuren) leidde tot innovatieve oplossingen in een drinkwaterbedrijf: een reststroom wordt omgezet in waardevolle producten, water, zout en humuszuur. Met diafiltratie wordt de reststroom van de ontkleuringinstallatie grotendeels ontzout en het volume sterk gereduceerd. Het zoute residu kan vervolgens, na opwerking via RO, worden gebruikt als regeneratiemiddel. De geconcentreerde humuszuuroplossing zal worden gebruikt als grondstof: een bodemverbeteraar voor de Nederlandse land- en tuinbouw. Uiteindelijk worden zo alle grondstoffen in de reststroom volledig hergebruikt.

Literatuur

  1. Schippers, D. en Sjoerdsma, P. (2007). Kwaliteitsverbetering op meerdere fronten door ontkleuring via ionenwisseling. H2O nr. 20, pag. 38-40.
  2. New Ag International (2003). Humic and Fulvic acid: the black gold of agriculture? New Ag International, Product and Trends 22-34.
  3. Trevisan, S. et al. (2010). Humic substances biological activity at the plant-soil interface. Plant Signalling & Behavior 5:6, 635-643.

0
0
0
s2smodern

Download hier een pdf van dit artikel.

Met deze methode kan een monster zeer snel in het veld worden uitgezocht en gedetermineerd. Een simpele beoordeling van de monsters geeft een resultaat dat vergelijkbaar is met de score op de KRW maatlat. Met de KRW Quick Scan macrofauna kan tot 85% op de kosten van deze monitoring worden bespaard. Wanneer in de toekomst tevens een KRW Quick Scan wordt ontwikkeld voor vissen is ecologische monitoring mogelijk tegen een fractie van de huidige kosten.

Momenteel vindt landelijk een discussie plaats over de invulling van de ecologische doelen van de ‘overige wateren’, oftewel de wateren die niet de status hebben van KRW-waterlichaam. Voorbeelden hiervan zijn de wateren die door waterschappen als ‘waterparels’ worden omschreven en sloten met hun (potentiële) hoge biodiversiteit. Vanuit ecologisch en maatschappelijk oogpunt is een goede waterkwaliteit van deze wateren van groot belang. De systematiek van de maatlatten en monitoring zoals die voor de KRW-waterlichamen geldt is op hoofdlijnen overgenomen in de handleiding overige wateren [1]. Dit betekent dat de inspanning en kosten voor de waterbeheerders sterk zullen oplopen als ook deze wateren met een vergelijkbare inspanning gemonitord en beoordeeld moeten worden.
Vanwege de hoge kosten van de KRW-monitoring lijkt dit echter geen haalbare kaart. Waterschap Rivierenland heeft een inschatting gemaakt van de totale kosten van de ecologische monitoring per waterlichaam, uitgaande van de huidige inspanning per ecologisch kwaliteitselement. Zij schatten dat de inspanning van de ecologische monitoring neerkomt op gemiddeld op ca. 23 dagen per waterlichaam. Omgerekend naar kosten is dat ca. €13.000,-. Een groot deel van deze 23 dagen wordt besteed aan het bemonsteren, uitzoeken en determineren van de macrofauna (8,25 dagen =36%, Figuur 1). De tijd die wordt besteed aan de kwaliteitselementen, fytoplankton en vegetatie staat hiermee in schril contrast (Figuur 1). Om de kosten van de monitoring van de ‘overige wateren’ te reduceren hebben Alterra en Waterschap Rivierenland een snelle en daarmee kosteneffectieve methode voor de monitoring van macrofauna ontwikkeld, die daarnaast ook aansluit bij de KRW-systematiek. De KRW-systematiek maakt gebruik van een soortensamenstellingsparameter (positieve taxa) en een abundantieparameter (negatief dominante indicatoren).

1306-01 fig1a1306-01 fig1b 1306-01 fig1c

Figuur 1. Inschatting van de kosten voor ecologische monitoring per waterlichaam in drie verschillende situaties: (1) de huidige KRW monitoring (2) bij toepassing van de KRW Quick Scan macrofauna en (3) bij toepassing van een KRW Quick Scan voor macrofauna en vis Voor de inschatting is uitgegaan van vier bemonsteringslocaties per waterlichaam voor macrofauna, vis en vegetatie en één locatie voor fytoplankton.

Methode-ontwikkeling
Monitoring en beoordeling zijn feitelijk één geheel; immers de door monitoring verkregen gegevens zijn direct van invloed op de uitkomsten van de beoordeling. Vooral het determineren van macrofaunamonsters kost veel tijd. We hebben ons daarom in eerste instantie gericht op het terugbrengen van de tijd die nodig is voor het determineren. Deze tijd is terug te brengen door te determineren op een hoger taxonomisch niveau, bijvoorbeeld op familieniveau in plaats van soortsniveau. Het principe van determineren op een hoger taxonomisch niveau op zich is niet nieuw. Er bestaan wereldwijd vele beoordelingen die zich baseren op dergelijke hogere determinatieniveaus (bijvoorbeeld [2, 3]).
Wanneer wordt gedetermineerd op een hoger niveau, dan zijn de huidige KRW-maatlatten niet meer toepasbaar op de verkregen gegevens. Daarom was het noodzakelijk een volledig nieuw beoordelingssysteem te ontwikkelen. De grote uitdaging was dan ook dit zodanig te doen dat er op het hogere taxonomische niveau nog onderscheid kon worden gemaakt tussen de 4 KRW-kwaliteitsklassen.
Samen met Waterschap Rivierenland is een determinatieniveau vastgesteld dat in het veld hanteerbaar is voor een ervaren hydrobioloog (Appendix 1), zodat bij bemonstering in het veld geen materiaal meer meegenomen hoeft te worden naar het laboratorium. Op basis van de bij Waterschap Rivierenland beschikbare macrofaunagegevens, verzameld in de periode 2011, is besloten een maatlat te ontwikkelen voor het watertype M01a ‘gebufferde sloten’. Van dit watertype waren namelijk relatief veel monsters voorhanden (n = 56), met een grote spreiding in ecologische kwaliteit. Per bemonsterde locatie waren aparte monsters beschikbaar van de bodem en de oever. Het ecologisch potentieel van de betreffende locaties is beoordeeld door de EKR te berekenen met behulp van QBWAT (versie 5.00, maatlatversie 4, 2007) voor de volledige monsters (bodem + oever). De monsters zijn op basis van de met QBWAT berekende kwaliteitsklasse ingedeeld in vier groepen: slecht, matig, ontoereikend en goed. Vervolgens zijn de soortenlijsten van ieder oevermonster afgestemd op het ‘hoge’ taxonomische niveau. We hebben er voor gekozen om alleen oevermonsters te betrekken bij de ontwikkeling van de maatlat met het oog op tijdsbesparing bij bemonstering en uitzoeken van monsters. Een eerste analyse wees uit dat er slechts enkele typerende taxa konden worden onderscheiden. Typerende taxa zijn taxa waarvan het voorkomen min of meer is beperkt tot één groep. Dit betekende, dat een beoordelingssysteem moest worden ontwikkeld op basis van taxa die algemeen voorkwamen. Algemene taxa zijn in dit verband gedefinieerd als taxa, die in meer dan 75% van de monsters in een groep voorkwamen. Naast de algemene taxa is tevens gekeken naar taxa die dominant voorkwamen. Taxa zijn als dominant aangemerkt wanneer ze in de monsters van één groep gemiddeld 5% of meer van het totale aantal individuen in een monster vormden.
Tot slot is op basis van ‘trial en error’ gekeken welke combinatie van taxa de vier kwaliteitsklassen het beste van elkaar kon onderscheiden. Het resultaat is een simpele maatlat.

Maatlat KRW-Quick Scan
Om de maatlat te kunnen berekenen, hoeft alleen de aanwezigheid van de in tabel 1 (algemene taxa) en 3 (dominante taxa) genoemde taxa in de monsters te worden vastgesteld. Ieder taxon uit tabel 2 en 3 is gekoppeld aan een score. De scores van de in de monsters aanwezige taxa worden opgeteld tot een totaalscore. Deze totaalscore kan worden omgezet in een kwaliteitsklasse (Tabel 4). De score van ieder taxon uit tabel 2 is gerelateerd aan de groep(en) waarin het taxon voorkwam. Taxa die in alle groepen (zeer) algemeen voorkwamen scoren een 1, taxa die in de groepen ‘ontoereikend’, ‘matig’ en ‘goed’ voorkwamen scoren een 2, taxa die in de groepen ‘matig’ en ‘goed’ voorkwamen scoren een 3 en taxa die alleen in de groep ‘goed’ voorkwamen scoren een 4. Voor een aantal taxa is de score aangepast op basis van expert-kennis. Voor de in tabel 3 opgenomen dominante taxa geldt, dat moet worden voldaan aan het criterium voor het aantal individuen in een monster (kolom 2), anders wordt aan het betreffende taxon geen score toegekend. In een aantal gevallen hebben taxa die onder dezelfde hoofdgroep vallen dezelfde score, bijvoorbeeld Caenidae en overige Ephemeroptera, desondanks zijn dergelijke taxa niet samengevoegd. De achterliggende gedachte is dat twee verschillende taxa een groter ecologisch potentieel indiceren dan één taxon.

Tabel 1. Lijst met taxa en bijbehorende score opgenomen in de maatlat KRW Quick Scan macrofauna voor M01a De score is direct gerelateerd aan het voorkomen van een soort in monsters van een bepaalde ecologische kwaliteit (score 1 is slecht, score 4 is goed). De term ‘overige’ in de kolom taxon geeft aan dat er bij het determineren binnen de hoofdgroep nog andere taxa worden onderscheiden (zie Appendix 1).Relatie tussen KRW Quick Scan en KRW maatlat
Omdat voor watertype M01a een KRW maatlat beschikbaar was, konden de scores berekend op basis van de KRW Quick Scan maatlat worden uitgezet tegen de EKR’s berekend met de KRW maatlat (Figuur 2). Beide scores zijn sterk aan elkaar gecorreleerd (R=0.86 en R2=0.74). De klassengrenzen weergegeven in tabel 4 zijn afgeleid uit figuur 3.

1306-01 tabel1

Tabel 2. Lijst met dominante taxa en bijbehorende score opgenomen in de maatlat KRW Quick Scan macrofauna voor M01a

1306-01 tabel2

 

Tabel 3. Klassengrenzen voor de maatlat KRW Quick Scan macrofauna

1306-01 tabel3

 

Relatie tussen KRW Quick Scan en KRW maatlat
Omdat voor watertype M01a een KRW maatlat beschikbaar was, konden de scores berekend op basis van de KRW Quick Scan maatlat worden uitgezet tegen de EKR’s berekend met de KRW maatlat (Figuur 2). Beide scores zijn sterk aan elkaar gecorreleerd (R=0.86 en R2=0.74). De klassengrenzen weergegeven in tabel 3 zijn afgeleid uit figuur 3.

1306-01 fig2

Figuur 2. Relatie tussen de KRW Quick Scan score voor macrofauna en de EKR

1306-01 fig3
Figuur 3. Relatie tussen de KRW Quick Scan score voor macrofauna en de EKR Het ecologisch potentieel van de verschillende monsters, gebaseerd op de EKR score, is weergeven door middel van kleuren/symbolen.

Validatie KRW-Quick Scan
Voor validatie van de KRW Quick Scan maatlat is een selectie gemaakt van 121 monsters uit een dataset met 223 slootmonsters, met het zwaartepunt in de noordelijke en westelijke helft van Nederland [4]. De selectie van 121 monsters berust op praktische reden. Voor de overige 102 monsters waren de abundanties namelijk weergegeven in klassen, waardoor niet direct een EKR kon worden berekend voor deze monsters. Naast de dataset van Verdonschot & Verdonschot (2010) zijn tevens data van 10 ‘natuurlijke sloten’ bemonsterd door Alterra gebruikt voor validatie (Vlek & Verdonschot, 2008). De dataset omvat naast monsters van type M01a tevens monsters van M08 ‘gebufferde laagveensloten’.


1306-01 fig4

Figuur 4. Relatie tussen de KRW Quick Scan score voor macrofauna en de EKR voor de validatie dataset


De determinatiecoëfficiënt (R2) voor de lineaire regressie tussen de score voor de KRW Quick Scan maatlat en de EKR ligt bij validatie met de externe dataset nauwelijks lager dan de determinatiecoëfficiënt bij ontwikkeling op basis van de dataset van het Waterschap Rivierenland (R2=0.735 vs. R2=0.741, Figuur 4). Hieruit kan worden geconcludeerd, dat de maatlat ontwikkeld op basis van oevermonsters van gebufferde sloten op minerale bodem in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland tevens toepasbaar is op volledige monsters van sloten elders in Nederland en dat de maatlat ook kan worden toegepast op gebufferde laagveensloten.
Bij toepassing van de maatlat op in het verleden verzamelde monsters, moeten individuele soorten worden toegekend aan de taxa met bijbehorende scores uit tabel 1. In sommige gevallen zal dit leiden tot ogenschijnlijk foutieve scores (in tegenspraak met gangbare ecologische kennis) voor individuele soorten. We willen hier opmerken dat dit inherent is aan een maatlat die gebruik maakt van ‘hogere taxonomische niveaus’, immers de indicatieve waarde van soorten binnen een familie of groep kan van elkaar verschillen. Dit neemt niet echter niet weg dat de KRW Quick Scan maatlat doet wat hij zou moeten doen; het ecologisch potentieel beoordelen overeenkomstig de KRW maatlat.
De toepassing van de KRW Quick Scan macrofauna zorgt voor een enorme kostenbesparing op de ecologische monitoring. Uit een inschatting die het Waterschap Rivierenland heeft gemaakt, blijken de kosten voor monitoring van macrofauna met 85% te kunnen dalen, wanneer gebruik wordt gemaakt van de KRW Quick Scan macrofauna. Uitgaande van 31 waterlichamen bespaart het Waterschap Rivierenland bij toepassing van de KRW Quick Scan monitoring ca. €120.000,- per meetcyclus op de totale ecologische monitoring. Wat wel opvalt in figuur 1 is, dat behalve de monitoring van de macrofauna ook de monitoring van de vissen een belangrijk aandeel in de kosten vormt. Het valt daarom aan te bevelen om te onderzoeken of ook voor de vissen een efficiëntere methode kan worden ontwikkeld voor monitoring en beoordeling. Als het mogelijk blijkt om ook de kosten van de vismonitoring te reduceren, dan is monitoring van alle ecologische KRW-kwaliteitselementen mogelijk tegen slechts 35% van de huidige kosten (Figuur 1).
Wel moet worden opgemerkt dat bij de inschatting van de kostenbesparing ook rekening is gehouden met een besparing op de uitzoektijd door het verzamelen van kleinere monsters. Hierbij is ervan uitgegaan dat de monsters in de toekomst zullen worden verzameld met behulp van een appelmoeszeef. Dit zal leiden tot kleinere monsters die snel in het veld kunnen worden uitgezocht en gedetermineerd. In de praktijk zal echter nog moeten worden vastgesteld wat het effect van deze bemonsteringswijze op de maatlatscore zal zijn. Waarschijnlijk is een aanpassing van de grens voor het aantal individuen van dominante taxa (tabel 2) noodzakelijk. Wel is duidelijk gebleken dat beoordeling van de ecologische kwaliteit op basis van het ‘hoge’ taxonomische niveau mogelijk is. Het is een gegeven dat de toepassing van een dergelijk ‘hoger’ determinatieniveau op monsters verzameld volgens de richtlijnen KRW monitoring per definitie een enorme kostenbesparing zal opleveren.
Om de geschetste kostenbesparing in alle gevallen mogelijk te maken, is uitbreiding van de KRW Quick Scan-methode naar andere watertypen (dan M01a en M08) noodzakelijk. Uitbreiding naar andere watertypen biedt veel perspectief, gezien het feit dat sloten door de aanwezigheid van hoofdzakelijk (zeer) algemene soorten veel lastiger te beoordelen zijn dan bijvoorbeeld beken.
De KRW Quick Scan macrofauna maakt gebruik van een abundantieparameter (Tabel 2) en een soortensamenstellingsparameter (Tabel ) en sluit daarmee aan bij de KRW-systematiek. In de landelijke discussie rondom de doelen voor de ‘overige wateren’ staan - naast de KRW - de Habitatrichtlijn (Natura2000) en de Natuurdoeltypen-systematiek (EHS) centraal. De wijze waarop de doelen voor deze twee beleidssporen zijn ingevuld, maakt ze minder geschikt voor de ontwikkeling van een snelle, goedkope methode van monitoring, die tevens aansluit bij de KRW-systematiek (beoordeling op basis van de samenstelling en abundantie van de levensgemeenschap). Ten eerste draaien deze beleidssporen om doelsoorten en typische soorten, hetgeen betekent dat per definitie op soortsniveau moet worden gedetermineerd. Ten tweede betreft het vaak zeldzame tot zeer zeldzame soorten waarvan de trefkans minimaal is. Hierbij moet opgemerkt worden dat de gehanteerde bemonsteringsmethoden ook niet specifiek gericht zijn op het vinden van deze soorten. Ten derde is de wijze van beoordeling van wateren binnen deze beleidssporen nog onduidelijk. Tot slot is de Habitatrichtlijn niet (direct) van toepassing op de meeste watertypen. Kortom, het is de vraag of we één methode voor monitoring kunnen, moeten of willen ontwikkelen die van toepassing is op al deze beleidssporen. Wij zijn van mening dat wanneer de ecologische kwaliteit van een water als goed wordt beoordeeld volgens de KRW-systematiek, deze een ‘goede’ natuurkwaliteit niet in de weg zal staan. Een goede ecologische kwaliteit van een waterlichaam garandeert echter niet de aanwezigheid van de beschreven doelsoorten/typische soorten.
De KRW Quick Scan macrofauna moet vooral worden gezien als een mogelijkheid om op relatief goedkope wijze de ecologische kwaliteit van een water te beoordelen, met als resultaat een beoordeling die vergelijkbaar is met de KRW-beoordeling. Daarnaast is de verwachting dat de KRW Quick Scan door zijn eenvoud zal leiden tot een consequentere beoordeling van het ecologisch potentieel van locaties in vergelijking met de KRW-maatlat. Waterbeheerders worden momenteel vaak geconfronteerd met het feit dat de dekking van hun ecologische meetnet beperkt is, gezien de ruimtelijke verschillen in ecologische kwaliteit binnen hun beheersgebied. Doordat de KRW Quick Scan macrofauna zeer goedkoop is, wordt het voor waterbeheerders mogelijk om met een vergelijkbaar budget een veel beter ruimtelijk beeld van de ecologische kwaliteit in hun beheersgebied te krijgen. Geïnteresseerden kunnen bij de auteurs van dit artikel een eenvoudige Excel-tool aanvragen waarmee de score op de KRW Quick Scan maatlat voor macrofauna kan worden berekend.

Literatuur
1. Evers, C.H.M., R. Buskens & J.M. Dolmans-Camu (concept). Handleiding doelafleiding overige wateren. Amersfoort, STOWA-rapport.
2. Armitage, P.D., D. Moss, J.F. Wright & M.T. Furse (1983). The performance of a new biological water quality score system based on macroinvertebrates over a wide range of unpolluted running-water sites. Water Research 17: 333-347.
3. Chessman, B.C. (1995). Rapid assessment of rivers using macroinvertebrates: A 2. procedure based on habitat-specific sampling, family level identification and a biotic index. Australian Journal of Ecology 20: 122-129.
4. Verdonschot, R.C.M. & P.F.M. Verdonschot (2010). Methodiek waardering aquatische natuurkwaliteit; ontwikkeling van graadmeters voor sloten en beken. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 113.

Appendix 1

1306-01 appendix