Het WUR-onderzoek ‘Koppeling van landbouw en natuur met klimaatopgave’ onderzocht tien beheermaatregelen op hun potentiële bijdrage aan koolstofvastlegging, emissiereductie en biodiversiteit. Dit artikel licht drie beheermaatregelen uit: herstel van kwelders en schorren, vernatting van veenweide en herstel van veengroei in laagveengebieden.
Download hier de pdf van dit artikel.
Geschreven door Lian Grabijn en Karin Nikolaus (Wageningen Environmental Research)
De gevolgen van klimaatverandering worden steeds meer zichtbaar in Nederland. Dit uit zich bijvoorbeeld in droogte, zeespiegelstijging en stijgende temperaturen [1]. Daarnaast vormt klimaatverandering een belangrijke bedreiging voor de biodiversiteit [2]. Om deze effecten tegen te gaan zijn klimaatdoelstellingen voor landbouw, natuur en het landgebruik in Nederland vastgelegd met als uiteindelijke ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Om dit te bereiken is een integrale benadering noodzakelijk, gezien de sterke onderlinge verbondenheid van deze opgaven. Daarbij speelt de keuze en uitvoering van beheermaatregelen een belangrijke rol. Toch is nog onvoldoende duidelijk welke trade-offs en synergieën er kunnen optreden tussen klimaatdoelen en biodiversiteit bij de uitvoering van beheermaatregelen [3].
Wageningen University & Research (WUR) heeft daarom onderzoek gedaan om inzicht te verkrijgen in het effect van tien beheermaatregelen op de koolstofvastlegging, de reductie van broeikasgasemissies en de biodiversiteit. In dit artikel ligt de nadruk op drie specifieke watergerelateerde beheermaatregelen: herstel van kwelders en schorren, herstel van veengroei in laagveengebieden en vernatting van veenweiden.
|
Definities Biodiversiteit Koolstofvastlegging |
Methode
Om relevante beheermaatregelen te selecteren is een longlist samengesteld op basis van genoemde beheermaatregelen in verschillende onderzoeksprogramma’s, zoals Slim landgebruik en het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden. Het criterium hiervoor was dat de maatregel potentieel heeft om bij te dragen aan koolstofvastlegging en daarnaast in een domein (zoals minerale landbouwbodems, natuur en water) past waarvoor beleidsdoelstellingen zijn opgesteld.
Om tot een definitieve lijst van maatregelen te komen is een workshop georganiseerd met experts uit verschillende domeinen. Aan de experts is gevraagd om per domein aan te geven welke maatregelen volgens hen het meest relevant zijn voor koolstofvastlegging en biodiversiteit. Op basis van deze beoordeling is een definitieve selectie gemaakt uit de longlist, waarbij met name is gekeken naar de potentiële bijdrage aan koolstofvastlegging of emissiereductie en naar beleidsrelevantie van de maatregelen. De tien gekozen maatregelen zijn weergegeven in tabel 1.
Tabel 1. Lijst van onderzochte maatregelen [7]
|
Maatregel |
Korte toelichting |
|
Herstel van kwelders en schorren |
Herstel van gebieden die niet meer onder invloed van het getij staan en veroudering van deze ecosystemen tegengaan. |
|
Herstel van veengroei in laagveengebied |
Vernatten van voormalig veenweide tot minimaal -20 cm mv (maaiveld) om veengroei mogelijk te maken. |
| Aanleg landschapselementen | Aanleg van houtige elementen, zoals heggen, bomenrijen of bosjes, naast landbouwgrond. |
| Groenbemesters/vanggewassen | Een gewas dat na het hoofdgewas geteeld wordt en niet geoogst, maar in het najaar of voorjaar wordt ‘ondergewerkt (mechanisch door de grond gemengd, ondergeploegd of ondergespit) t.b.v. het verbeteren van de bodemkwaliteit. |
| Meer rustgewassen in bouwplan | Gewassen die minder grondbewerking nodig hebben dan rooigewassen, wat voor minder verstoring van de bodem zorgt. Bijvoorbeeld graan of gras. |
| Uitbreiding van blijvend grasland | Meer areaal waar gras minstens 5 jaar blijft staan en niet tussendoor gescheurd wordt. |
| Vernatting van veenweiden | Tot grondwaterstand maximaal – 40 cm mv, waardoor landbouw nog mogelijk is. |
| Agroforestry | Aanleg van houtige meerjarige gewassen (bomen en struiken) in combinatie met akkerbouw, groenteteelt, grasland of veehouderij op hetzelfde perceel. |
| Aanleg nieuw bos | Bos aanplanten waar voorheen ander landgebruik was. |
| Voorkomen van ontbossing |
Voorkomen dat bos wordt gekapt en er een ander landgebruik voor in plaats komt. |
Om het effect van de maatregelen op koolstofvastlegging en biodiversiteit te analyseren, is een literatuuronderzoek uitgevoerd. Daarbij lag de focus vooral op Nederlandse literatuur waarin de koolstofvastlegging al is gekwantificeerd en literatuur waarin het effect van maatregelen op biodiversiteit in Nederland is onderzocht.
Herstel van kwelders en schorren
Kwelders en schorren zijn eigenlijk benamingen voor hetzelfde ecosysteem, waarbij de term schorren voornamelijk wordt gebruikt in de Zuidwestelijke Delta. Kwelders liggen vaak direct aan de zeegrens, zonder zeewering. Kenmerkend zijn de laaggelegen zandige of slikke gronden die ontstaan onder invloed van het getij. Er kunnen pioniersvegetatie, graslanden en ruigten van zoutminnende en zouttolerante vegetatie ontstaan. Zo’n 10.000 hectare kwelder ligt in de Waddenzee en ongeveer 3.500 ha. in de Zuidwestelijke Delta [8]. Bij de maatregel ‘herstel van kwelders en schorren’ ligt de focus op het herstellen van gebieden waar de natuurlijke dynamiek verloren is gegaan en dus niet meer onder invloed van het getij staan [9]. Ook gaat het erom veroudering van kwelders en schorren tegen te gaan en herstel te realiseren.
Herstel van kwelders en schorren kan verschillende vormen aannemen. In dit onderzoek zijn verschillende varianten meegenomen: ontpoldering of het toelaten van getij in een binnendijks gebied, aanleg of ontwikkeling van buitendijkse kwelders en het vergroten van de natuurlijke dynamiek in bestaande gebieden.
Koolstofvoorraad en jaarlijkse vastlegging
In de Nederlandse kwelders is per hectare gemiddeld 1.012 ton CO2 opgeslagen, maar dit verschilt sterk per locatie. Daarbij is de kleinste koolstofvoorraad 634 ton CO2/ha. en de grootste 1.386 ton CO2/ha. als er tot 1 meter diep gemeten wordt [10]. De jaarlijkse vastlegging ligt volgens de literatuur gemiddeld tussen ongeveer 5,1 en 18 ton CO₂/ha/jaar [10], [11]. De vastlegging hangt samen met de aanvoer en opslag van sediment en organisch materiaal. In jonge kwelders kan de sedimentatie aanvankelijk relatief hoog zijn. Naarmate een gebied ouder wordt en hoger opslibt, kan de invloed van het getij afnemen [11]. Buitendijkse kwelders kunnen op lange termijn meer ruimte bieden voor sedimentatie en vegetatieontwikkeling dan binnendijkse, maar de mogelijkheden voor nieuwe buitendijkse kwelderontwikkeling zijn langs de Nederlandse kust beperkt door waterdiepte, kustmorfologie en de beschikbaarheid van sediment [12].
Biodiversiteit in kwelders en schorren
Het effect van herstel op de biodiversiteit hangt sterk af van de herstelmaatregel, de lokale omstandigheden en het beheer. Het herstellen van de natuurlijke getijdendynamiek kan zorgen voor meer variatie in habitats en vegetatie. Bij ontpoldering kunnen bijvoorbeeld pioniervegetatie en geschikte broedplekken voor vogels ontstaan. Ook variatie in begrazingsdruk kan de soortenrijkdom, met name van insecten, vergroten. Intensieve en uniforme begrazing kan daarentegen nadelig zijn voor bepaalde ongewervelden en broedvogels. Een gevarieerde beheerstrategie kan daarmee gunstig zijn voor de biodiversiteit, doordat verschillende vegetatiestructuren en habitats behouden blijven [9], [13].
Herstel van veengroei in laagveengebieden en vernatting veenweiden
Nederland telt ongeveer 290.000 hectare veen, waarvan 220.000 ha. als veenweide wordt gebruikt [14]. Hoogveen wordt voornamelijk gevoed door regenwater en is bijna verdwenen uit Nederland. Laagveen wordt door mineraalrijk grond-of kwelwater gevoed en komt vooral in het westen van Nederland en in noordoost-Nederland voor [15]. Door de lage grondwaterstanden in veel veenweidegebieden komt er zuurstof bij het veen. Micro-organismen breken het veen dan af, waardoor de bodem daalt en CO₂ uitstoot.
Herstel van veengroei en vernatting van veenweiden zijn verwante maatregelen, maar niet identiek.
Bij beide maatregelen wordt het waterpeil verhoogd. Bij herstel van veengroei gebeurt dat dermate dat het groeien van karakteristieke soorten, zoals veenmos, weer mogelijk is. Het optimale waterpeil om emissies te reduceren ligt tussen de 0 en -20 cm. In sommige provincies ligt dit nu op -80 cm mv. [16], 17]. Ook kunnen hogere grondwaterstanden bodemdaling voorkomen. Dat vraagt vaak wel om een overgang van regulier veenweidegebruik naar natuur, bijvoorbeeld moeras of paludicultuur (natte teelt, zoals rijst) [17].
Anders dan bij het herstel van veengroei, wordt er bij het vernatten van veenweiden vanuit gegaan dat de grondwaterstand niet verder verhoogd wordt dan -40 cm mv [15]. Dit kan emissies verminderen doordat er bij een hoger grondwaterpeil minder veen oxideert [18]. In dit onderzoek is gekeken naar het vernatten van veenweiden door het verhogen van het slootwaterpeil, het aanleggen van drainagebuizen voor onderwaterdrainage en drukdrainage.
Herstel van veengroei, emissiereductie en koolstofvastlegging
Bij het herstellen van veengroei kan emissie vermeden worden door bodemdaling tegen te gaan. Eén centimeter vermeden bodemdaling kan al resulteren in een vermindering van ongeveer 22,6 ton CO2/ha/jaar [19]. De hoeveelheid emissie die vermeden kan worden hangt dus af van de vermeden bodemdaling. Naast de vermeden emissie kan er ook nog koolstof vastgelegd worden. Een inschatting is dat rietmoerassen per jaar 16,5 ton CO2/ha vastleggen [20].
Vernatting en emissiereductie
Het effect van de verhoging van de grondwaterstand hangt meer af van het oorspronkelijke waterpeil en tot waar het verhoogd wordt, dan van de toegepaste drainagetechniek. Een verhoging van de grondwaterstand met 10 cm leidt volgens onderzoek in Nederlandse veenweidegebieden tot een vermindering van de CO₂-emissie met 3,3 tot 4,0 ton CO₂/ha/jaar [18]. De landelijke potentie, bij verhoging tot -40 cm mv, ligt in de range van 310 tot 630 kilo ton CO₂ per jaar, afhankelijk van de veenweidegebieden waar het wordt toegepast [15].
Biodiversiteit in veen(weide)gebieden
Met moerasontwikkeling en veenmosherstel zijn andere soorten geholpen dan met vochtig grasland. Moerassen kunnen habitat bieden aan moerasvogels, amfibieën, libellen en moerasplanten. Paludicultuur kan eveneens gunstig zijn voor moerasgebonden soorten, maar het effect hangt af van het gewas, de intensiteit van het beheer, de waterstand, de oppervlakte en het aangrenzende landgebruik. Een overgang van veenweide naar moeras kan dus biodiversiteitswinst opleveren. Vernatte graslanden kunnen met name gunstig zijn voor weidevogels. Een hoog waterpeil in het voorjaar vertraagt de grasgroei en kan zorgen voor een opener vegetatiestructuur met meer kruiden, bloemen en insecten. Voor veel steltlopers op veengrond ligt de gewenste slootwaterstand in april en mei rond -20 tot –25 cm mv. Later in het seizoen moet het peil niet verder dalen dan ongeveer -45 tot –60 cm mv.
Waterkwaliteit is voor beide maatregelen een belangrijke randvoorwaarde. Een hoge nutriëntenbelasting kan leiden tot dominantie van enkele soorten, waardoor andere planten worden verdrongen. Vernatting alleen is daarom geen garantie voor biodiversiteitsherstel; waterkwaliteit, vegetatiestructuur en beheer bepalen mede welke soorten zich kunnen vestigen [21].
Synergieën, trade-offs en randvoorwaarden
Alle drie besproken maatregelen - herstel kwelders, herstel veengroei en vernatten veenweide - kunnen bijdragen aan de klimaatopgave en het herstel van biodiversiteit (afbeelding 1). Daarbij hebben kwelders de grootste potentie om koolstof vast te leggen, terwijl de andere twee maatregelen vooral emissies reduceren. Van alle drie is het effect op koolstof en biodiversiteit afhankelijk van de lokale omstandigheden.
Bij kwelders heeft ontpoldering en het vergroten van de natuurlijke kwelderdynamiek een positief effect op de potentiële koolstofvastlegging én het effect op biodiversiteit. Daarbij levert het goed onderhouden of verjongen van kwelders een aanzienlijke bijdrage. Daarentegen kunnen nieuwe kwelders wel koolstof vastleggen, maar het duurt lang voordat deze vastlegging een optimaal niveau bereikt. Ook kan een stijgende zeespiegel ervoor zorgen dat opslibbing van een kwelder niet meer voldoende is en deze erodeert, waardoor de opgeslagen koolstof weer vrijkomt [22]. Dit zou ook negatieve effecten kunnen hebben op de biodiversiteit als dit unieke habitat verdwijnt. Kwelderherstel is daarom niet alleen een aanlegopgave, maar ook een voor langjarig beheer en monitoring.
Herstel van veengroei heeft een grotere potentiële klimaatwinst per hectare dan alleen vernatting van veenweide, omdat bij voldoende hoge waterstanden naast het beperken van veenoxidatie ook nieuwe veenvorming, en daarmee koolstofvastlegging, kan optreden. Daarnaast biedt het herstellen van veengroei nieuwe habitats voor moerasvogels, amfibieën en moerasplanten. Daar staat tegenover dat herstel van veengroei een grotere verandering in landgebruik vereist. Het gebied moet hiervoor doorgaans worden omgevormd van productieve veenweide naar natuur of een vorm van paludicultuur.
Als veenweide vernat wordt tot -40 cm mv kan het wel nog in zijn oorspronkelijke vorm worden gebruikt. Deze maatregel is daardoor op grotere schaal toepasbaar. De potentiële nationale klimaatwinst van vernatting is daarom groter, ondanks de lagere potentiële winst per hectare. De keuze tussen beide maatregelen hangt daarmee niet alleen af van de klimaatpotentie, maar ook van de gewenste functie van het gebied, de lokale hydrologische omstandigheden en de mogelijkheden voor landgebruik.
Conclusie
Omdat de effecten van een maatregel sterk kunnen verschillen en afhangen van de lokale situatie, vraagt de keuze voor een maatregel om een afweging tussen klimaat- en biodiversiteitsdoelen. Lokale hydrologische omstandigheden, gewenste natuur en mogelijkheden voor aangepast landgebruik zijn daarbij bepalend.
Het volledige onderzoek en de bijbehorende factsheets van het project Koppeling van landbouw en natuur met klimaatopgave zijn te vinden op de website van WUR [7], [23].
| Samenvatting Klimaat, natuur, water en landgebruik zijn nauw met elkaar verbonden. Beheermaatregelen kunnen daarom meerdere doelen tegelijk dienen, maar leiden niet automatisch overal tot dezelfde klimaat- en natuurwinst. Het WUR-onderzoek ‘Koppeling van landbouw en natuur met klimaatopgave’ onderzocht tien beheermaatregelen op hun potentiële bijdrage aan koolstofvastlegging, emissiereductie en biodiversiteit. Dit artikel licht drie beheermaatregelen uit: herstel van kwelders en schorren, vernatting van veenweide en herstel van veengroei in laagveengebieden. De belangrijkste conclusie is dat deze maatregelen grote kansen bieden, maar dat de uitkomst sterk afhangt van de gekozen variant, het (water)beheer, de lokale omstandigheden en de soorten waarop wordt gestuurd. |
REFERENTIES
1. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (2023). KNMI-23 klimaatscenario’s: Gebruikersrapport. 23 maart 2023.
2. Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (2019). Summary for policymakers of the global assessment report on biodiversity and ecosystem services of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services. IPBES secretariat, Bonn, Germany.
3. De Silva, S. et al. (2025). ‘Navigating synergies vs. trade-offs between climate change mitigation and biodiversity conservation’. Biodiversity, 4(1), 22.
4. Compendium voor de Leefomgeving (2024). Overzicht indicatoren natuur en biodiversiteit (indicator 3001, versie 01, 21 mei 2024). www.clo.nl. CBS, PBL, RIVM, WUR.
5. Olson, K. R. (2013). ‘Soil organic carbon sequestration, storage, retention and loss in U.S. croplands: Issues paper for protocol development’. Geoderma, 195-196, 201–206.
6. Don, A. et al. (2024). ‘Carbon sequestration in soils and climate change mitigation-Definitions and pitfalls’. Global Change Biology, 30(1), e16983.
7. Grabijn, L.T.P, K.H. et al. (2026). Koppeling van landbouw en natuur met klimaatopgave; Het effect van tien beheermaatregelen op koolstofvastlegging en biodiversiteit in Nederland. WOT-technical report 297.
8. Compendium voor de Leefomgeving (2020). Areaal en ontwikkeling van kwelders en schorren 1800-2017 (indicator 1230, versie 04, 9 juli 2020). www.clo.nl. CBS, PBL, RIVM, WUR. 9. Van Wesenbeeck, B.K. et al. (2014). Verjonging van half-natuurlijke kwelders en schorren. No. 2014/OBN196-DK, VBNE.
10. Hoefsloot, G., Van der Jagt, H.A., Van Duin, W.E. (2020). Blue Carbon in Nederlandse kwelders. Kansen voor extra CO2 vastlegging in kwelders. Rapportnr. 20-028. Bureau Waardenburg, Culemborg.
11. Van Belzen, J., Bouma, T.J., & Ysebaert, T. (2020). Blue Carbon in het Verdronken Land van Zuid-Beveland. Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee.
12. Cleveringa (2023). Blue carbon in binnendijkse kwelders. Principes en berekening van koolstofvastlegging. Arcadis.
13. Van den Bergh, E., & Mertens, W. (2005). Ontpoldering van de Hertogin Hedwigepolder en het noordelijk deel van de Prosperpolder: ecologische visievorming en keuze van het meest wenselijke scenario. W&Z– Aminal. Afdeling Natuur.
14. Van den Born, G.J., Van Hinsberg, A., & Van Dam, F. (2019). ‘Veenweidegebieden in transitie’. Landschap.nl, april 2019. https://www.landschap.nl/wp-content/uploads/2019-4-VandenBorn.pdf , geraadpleegd op 6 augustus 2025.
15. Lesschen, J.P. et al. (2023). Beleidsscenario’s voor klimaatmitigatie in landbouw en landgebruik: resultaten voor de AFOLU-sector in 2035. Wageningen Environmental Research. Https://doi.org/10.18174/630137.
16. Bestman, M. et al. (2019). Natte teelten voor het veenweidengebied Verkenning van de mogelijkheden van lisdodde, riet, miscanthus en wilg. Louis Bolk Instituut.
17. Jurasinski, G., Günther, A.B., Huth, V., Couwenberg, J., Glatzel, S. (2016). ‘Ecosystem services provided by paludiculture – greenhouse gas emissions’. In: Wichtmann, W., Schröder, C., Joosten, H. (eds.) 2016. Paludiculture - productive use of wet peatlands.
18. NOBV-onderzoeksconsortium (2023). Samenvatting rapportage 3 jaar nationaal onderzoeksprogramma broeikasgassen veenweiden. NOBV.
19. Verhagen, A. et al. (2009). Peatlands and carbon flows. Outlook and importance for the Netherlands. Planbureau voor de Leefomgeving. https://edepot.wur.nl/457986
20. Arets, E.J.M.M. (2018). Klimaatcijfers voor natuur: Cijfers voor koolstofopslag en-vastlegging in Nederlandse natuur. Wageningen Environmental Research.
21. Pijlman, J., Roelen, S., Van Eekeren, N., (2020). Klimaatmaatregelen in het veenweidegebied in relatie tot biodiversiteit, bodem- en waterkwaliteit. Louis Bolk Instituut. 22. Teunis, M., & Didderen, K. (2018). Blue Carbon in Nederlandse kwelders. Resultaten van vier kwelders in beheergebieden van Natuurmonumenten. Rapportnr. 18-301, Bureau Waardenburg, Culemborg.
23. Grabijn L.T.P. & Nikolaus K.H. (2026). Klimaatopgave landbouw en natuur; Factsheets over het effect van beheermaatregelen op koolstofvastlegging en biodiversiteit. WOT-special 21
