secundair logo knw 1

Onderzoekers van het KNMI en adviesbureau HKV hebben in opdracht van STOWA nieuwe neerslagstatistieken afgeleid. Nieuw is dat de meetreeksen van De Bilt voor zowel neerslag als verdamping zijn gecorrigeerd voor de klimaattrend. Hierdoor geven de nieuwe statistieken een beter beeld van het klimaat van nu (rond 2014). Dit beeld bevestigt wat we in de praktijk al ervaren: extreme neerslaggebeurtenissen vinden vaker plaats en de hoeveelheden neerslag liggen hoger (orde 10 tot 15 procent, afhankelijk van seizoen, duur en herhalingstijd). De nieuwe statistieken zijn ook bepaald voor het klimaat rond 2030, 2050 en 2085 op basis van de zogenoemde KNMI’14-klimaatscenario’s.

Download hier de pdf van dit artikel.

Hoe vaak regent het, hoe hard en hoe lang? Krijgen we te maken met grotere neerslagextremen in de toekomst? De antwoorden op deze vragen zijn van groot belang voor het waterbeheer in Nederland. In 2014 heeft het meteorologisch instituut KNMI met het oog op de klimaatverandering nieuwe klimaatscenario’s gepresenteerd. In opdracht van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) hebben het KNMI en adviesbureau HKV deze zogeheten KNMI’14-scenario’s beter toepasbaar gemaakt voor waterschappen en verwerkt in nieuwe neerslagstatistieken en -tijdreeksen, die representatief zijn voor de toekomst. Deze statistieken zijn van groot belang voor waterbeheerders, want mede op basis hiervan beoordelen ze hun watersystemen en bepalen ze welke maatregelen nodig zijn om wateroverlast te beperken.

De neerslagstatistieken geven informatie over de hoeveelheid neerslag bij een bepaalde neerslagduur (twee uur tot acht dagen), die met een bepaalde frequentie (twee keer per jaar tot één keer per 1.000 jaar) wordt overschreden.

Ten behoeve van de nauwkeurigheid en representativiteit worden de neerslagstatistieken gebaseerd op zo lang mogelijke neerslagreeksen op uurbasis. Voor Nederland is dat de reeks van De Bilt (Utrecht), die start in 1906 en eindigt in 2014.

NeerslagstatFiguur1Afbeelding 1. Langetermijntrend in de gemeten jaarsommen van de neerslag in De Bilt en voor Nederland gemiddeld (102 neerslagstations) voor de periode 1910-2013. De gladde curves zijn langjarige schuivende gemiddelden, waardoor de trend beter zichtbaar wordt.

De vorige neerslagstatistieken zijn tot stand gekomen in 2004. Destijds is de neerslagreeks van De Bilt tot en met 2003 als basis gebruikt om de neerslagextremen van het ‘huidige’ klimaat te beschrijven. In de gemiddelde neerslag in de De Bilt-reeks zit echter een duidelijke trend (zie afbeelding 1). Deze trend is niet alleen in De Bilt zichtbaar, maar ook in andere neerslagstations. Niet alleen de gemiddelde neerslag, ook de extreme neerslag blijkt in de loop van de afgelopen ruim honderd jaar te zijn toegenomen. In 2004 is hiervoor niet gecorrigeerd en daardoor is de destijds afgeleide statistiek als het ware representatief voor het klimaat rond 1955 (het midden van de periode van de reeks). De wens van de waterschappen was dat de nieuwe statistiek representatief zou zijn voor het klimaat rond 2014, oftewel het klimaat van nu. Vandaar dat de onderzoekers bij het bepalen van de nieuwe neerslagstatistiek de neerslagreeks van De Bilt hebben gecorrigeerd voor deze klimaattrend.

De neerslaghoeveelheden die horen bij bepaalde herhalingstijden (en neerslagduren), berekend voor het klimaat rond 2014, vallen daardoor hoger uit dan die in 2004 berekend zijn. Een groot deel van de verschillen tussen het onderzoek uit 2004 en 2014 wordt dan ook veroorzaakt door het corrigeren voor de trend; het verlengen van de reeks met elf jaar tot en met 2014 heeft nauwelijks invloed.

De nieuwe statistieken zijn niet alleen bepaald voor het klimaat rond 2014, maar ook na klimaatverandering zoals die mogelijk wordt geacht rond 2030, 2050 en 2085.

Veel meer neerslag

Uit de nieuwe neerslagstatistiek blijkt dat de hoeveelheid neerslag tijdens extreme neerslaggebeurtenissen rond 2014 op jaarbasis gemiddeld 10 procent hoger ligt dan in de tot nu toe gebruikte statistiek. Dit gemiddelde geldt voor neerslaggebeurtenissen die minder vaak dan eens per twee jaar voorkomen, tot zeer extreme neerslag met een herhalingstijd van eens per 100 jaar. De gemiddelde toename blijkt zelfs 15 procent te zijn als alleen naar de winterperiode gekeken wordt.

In tabel 1 zijn enkele van de thans beschikbare statistieken opgenomen. Hierin is bijvoorbeeld te zien dat tot nog toe waterbeheerders bij een herhalingstijd van 100 jaar uitgingen van een extreme 24-uurs neerslaggebeurtenis van 79 millimeter. In de nieuwe neerslagstatistiek voor rond 2014 is dat 85 millimeter geworden. Misschien nog wel interessanter is de constatering dat ongeveer diezelfde neerslaghoeveelheid (77 millimeter in 24 uur) nu eens in de vijftig jaar voorkomt; twee keer zo vaak dus.

Uit de KNMI’14-klimaatscenario’s blijkt dat in 2050 deze hoeveelheid vrijwel gelijk kan blijven of kan toenemen tot 90 millimeter.

Tabel 1. Neerslaghoeveelheid (in millimeters) die eens in de 10, 50 en 100 jaar wordt overschreden gedurende 24 uur, vier en acht dagen in het ‘huidige’ klimaat en in het klimaat rond 2050, op basis van jaarstatistiek voor neerslagregime G a)
Neerslagstatistieken tabel1

a) Neerslagregime G geldt voor alle gebieden in Nederland waarvoor de statistiek van extreme neerslag hetzelfde is als voor De Bilt, zowel voor het huidige klimaat als voor de toekomst.

b) Voor de 2004-statistiek werd met ‘huidig’ de volledige historische periode 1906 – 2003 bedoeld, (zonder enige correctie voor de trend). Bij de 2015-statistiek wordt met ‘huidig’ het klimaat rond het jaar 2014 bedoeld (uitgaande van de trend in de historische periode 1906 – 2014).

c) Neerslagstatistiek voor 2050 was in 2004 nog niet beschikbaar, maar is in dit overzicht gebaseerd op de 2050-neerslagstatistiek die in 2013 in Meteobase opgenomen is. De weergegeven range betreft de scenario’s G+ (laagste waarde) en W (hoogste waarde).

d) De weergegeven range wordt door alle vier klimaatscenario’s (GL, GH, WL en WH ) keer drie sub-scenario’s (‘lower’, ‘center’ en ‘upper’) opgespannen. In de meeste gevallen correspondeert de laagste waarde met GH_lower en de hoogste waarde met WL_upper.

Samenvattend: de klimaatverandering wordt hiermee al zichtbaar in de statistieken. Extreme neerslaggebeurtenissen zelf komen in het klimaat rond 2014 ongeveer twee keer zo vaak voor als in het verleden en in de toekomst zullen ze mogelijk in aantal nog verder toenemen.

Toename in verdamping

Niet alleen valt er meer neerslag, ook de verdamping zal volgens de laatste inzichten groter zijn. Deze is ook gecorrigeerd voor een klimaattrend in het recent afgeronde onderzoek. Op jaarbasis valt deze voor het klimaat rond 2014 ongeveer 7 procent hoger uit dan in de tot nu toe gebruikte referentie (1906-2010, zie tabel 2). Deze toename is iets hoger in het zomerhalfjaar dan in het winterhalfjaar.

Tabel 2. Gemiddelde verdamping per jaar en per winter-/zomerhalfjaar voor de oorspronkelijke, maar wel gehomogeniseerde reeks van de Bilt, voor de reeks voor het klimaat rond 2014

Neerslagstatistieken tabel2

Wat dit betekent voor de kans op droogte, is beknopt geanalyseerd door het maximale potentiële neerslagtekort per jaar te berekenen. Hiertoe hebben we per jaar vanaf 1 april de dagelijkse neerslag minus de verdamping gecumuleerd en per jaar het maximale neerslagtekort bepaald. Dit is gedaan voor zowel de oorspronkelijke neerslag- en verdampingsreeks als voor de neerslag- en verdampingsreeks 2014 na correctie voor de klimaattrend.

Hieruit blijkt dat tot eens in de vijf jaar de maximale neerslagtekorten niet of nauwelijks veranderen. Het effect van de klimaatcorrectie is dusdanig dat pas bij meerdere drogere jaren de toename in verdamping zichtbaar groter is dan de toename in neerslag. De verschillen in de neerslagtekorten in de zomer lopen vanaf een herhalingstijd van vijf jaar op tot 5 procent bij een herhalingstijd van 50 jaar.

Hierbij moet worden opgemerkt dat het maximale neerslagtekort alleen een ‘ruwe’ indicator is en niet alles zegt over bijvoorbeeld lokale vochttekorten en daarmee over de impact op de hydrologie. Daarnaast is ook nog de timing van de toename in neerslag en de toename in verdamping van belang.

De verdamping is ook bepaald voor het jaar 2030 en de KNMI’14-klimaatscenario's 2050 en 2085. Hiervoor kan men het rapport raadplegen dat als eerste in het literatuuroverzicht is opgenomen.

Toepassing in waterbeheer

Met de nieuwe statistieken hebben waterbeheerders nu de best beschikbare neerslag- en verdampingsdata (statistiek en tijdreeksen) in handen voor het maken van (nieuwe) analyses van hun huidige watersystemen, voor het huidige klimaat (rond 2014) én na klimaatverandering.

De gegevens kunnen op verschillende manieren gebruikt worden. Zo is neerslagstatistiek onmisbaar bij het evalueren van een wateroverlastsituatie, omdat eenvoudig de herhalingstijd van een lokale extreme bui vastgesteld kan worden.

De gegevens zijn ook direct bruikbaar bij het toetsen van regionale watersystemen aan de normen voor wateroverlast. Daarvoor wordt door waterbeheerders vaak de zogenaamde tijdreeksmethode of de stochastenmethode gebruikt: voor beide methoden zijn de nieuwe gegevens per direct beschikbaar.

Op basis hiervan kunnen waterbeheerders beter beoordelen in hoeverre de systemen bestand zijn tegen extreme neerslaggebeurtenissen in het klimaat rond 2014 en het toekomstige klimaat. Deze analyses helpen waterbeheerders oplossingen te zoeken voor de problematiek rondom wateroverlast.

De nieuwe neerslagreeksen en -statistiek zijn te vinden op www.meteobase.nl, de online database van STOWA met neerslag- en verdampingsgegevens.

De auteurs zijn dank verschuldigd aan Janette Bessembinder (KNMI) als medeauteur van het onderliggende STOWA-rapport, en Michelle Talsma (STOWA) die als opdrachtgever dit onderzoek mede mogelijk gemaakt heeft.

Dit artikel is ook gepubliceerd in Water Matters van april 2016.

Water Matters is het halfjaarlijkse kenniskatern van H2O.

Literatuur

  1. Beersma, J., Bessembinder, J., Brandsma, T., Versteeg, R. & Hakvoort, H. (2015), Actualisatie meteogegevens voor waterbeheer 2015. Deel 1: neerslag- en verdampingsreeksen. deel 2: statistiek van de extreme neerslag. STOWA rapport 2015-10
  2. Smits, A., Wijngaard, J.B., Versteeg, R.P. & Kok, M (2004), Statistiek van extreme neerslag in Nederland. HKV en KNMI in opdracht van STOWA.
  3. Buishand, T.A., Jilderda, R. & Wijngaard, J.B. (2009), Regionale verschillen in extreme neerslag. KNMI-publicatie WR-2009-01.
  4. Versteeg, R., Hakvoort, Hl, Bosch, S. & Kallen, M.J. (2013), METEOBASE, online archief van neerslag- en verdampingsgegevens voor het waterbeheer. STOWA rapport 2013-02.
Typ je reactie...
Je bent niet ingelogd
Of reageer als gast
Loading comment... The comment will be refreshed after 00:00.

Laat je reactie achter en start de discussie...

(advertentie)

Laatste reacties op onze artikelen

@Hans MiddendorpHoi Hans, beetje makkelijke reactie van het waterschap ('eerst moeten de waterbedrijven wat doen, tot die tijd kunnen wij niks doen'). De Waprog plaatste in 1986, in één jaar tijd, meer dan 100.000 watermeters bij gezinnen thuis. Dat kostte toen maar 150 gulden (!) per watermeter. Als de waterpartners echt zouden willen samenwerken, kan dit zo zijn opgelost. Dus ja, bureaucratie zegeviert. Niet iets om trots op te zijn.
@Gert Timmerman Eens. We moeten met al ons water zuinig omgaan (en het niet verontreinigen) zeker met zoet grondwater en met drinkwater.
@JanEens Jan, maar mijn opiniestuk gaat over hoe slimme bemetering en beprijzing het waterverbruik van huishoudens beïnvloeden. Dat er geen BOL is voor grootverbruik, helpt bedrijven inderdaad niet om slim met water om te gaan.   
Waarom de belasting op leidingwater (BOL) alleen voor de eerste 300m3? (€ 0,50 per m3 incl BTW). Beter is om een BOL te hebben voor het waterverbruik boven de 300m3. Politiek ligt dit moeilijk voor wat ik begreep.  
Of de waterkwaliteit wel 100% blijft onder deze oppervlakte heeft te maken met de normen die men hiervoor gebruikt. Bij eutrofiëring ontstaat wat groenalg en gelijk vliegt in de beoordeling de waterkwaliteit omlaag. Komt dat omdat anderen dit veroorzaken?