secundair logo knw 1

Foto: Jaap Hoeve

De Nederlandse drinkwatervraag in 2050 is onderzocht voor verschillende scenario’s van drinkwaterbesparing en bevolkingsgroei. Zonder besparing en bij lage bevolkingsgroei blijkt de drinkwatervraag slechts zo’n 3 procent toe te nemen, maar bij sterke bevolkingsgroei kan dit oplopen tot zo’n 25 procent. In 2050 zijn dus mogelijk veel meer bronnen nodig.

Download hier de pdf van dit artikel.


Geschreven door Karel As, Monique van der Aa, Robin van Leerdam (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)


Sinds 2015 neemt het Nederlandse drinkwaterverbruik toe, nadat er vanaf 1990 juist een lichte krimp en stabilisatie plaatsvonden [1]. Prognoses voor 2030 en 2040 laten zien dat de druk op de bronnen verder kan toenemen [1], [2]. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) rapporteerde in 2023 dat er in 2030 mogelijk 67 tot 102 miljoen m3 per jaar (Mm3/jaar) extra productiecapaciteit nodig is ten opzichte van 2020 [2]. De ontwikkeling van nieuwe bronnen kost echter tijd. Bovendien kan door klimaatverandering de waterbeschikbaarheid afnemen [3].

Om de druk op de drinkwatervoorziening te verminderen heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in 2024 het Nationaal plan van aanpak (NPvA) drinkwaterbesparing gelanceerd [4]. Dit nieuwe programma richt zich op besparing bij huishoudens en zakelijke gebruikers. Het doel is om het hoofdelijk verbruik terug te brengen van de 128 liter per persoon per dag (l.p.p.p.d.) in 2021 naar 100 l.p.p.p.d. in 2035. Verder wordt een reductie van 20 procent beoogd voor de zakelijke en industriële vraag. Het plan omvat een veelheid aan maatregelen, waaronder communicatiecampagnes voor zuinige omgang met drinkwater door consumenten, onderzoek naar het beprijzen van drinkwater en het waterzuiniger maken van productieprocessen.

De drinkwatervraag is uiteindelijk leidend voor de vraag hoeveel nieuwe bronnen er ontwikkeld moeten worden [3]. Het is dus belangrijk om een goed beeld te hebben van de bandbreedte in de mogelijke toekomstige drinkwatervraag, zowel landelijk als op regionaal niveau. In dit onderzoek zijn daarom scenario’s ontwikkeld voor 2050, waarbij de drinkwatervraag is doorgerekend voor verschillende bevolkingsprognoses en verschillende maten van drinkwaterbesparing.

Algemene rekenmethodiek prognose drinkwatervraag
Om de noodzakelijke productiecapaciteit (de hoeveelheid drinkwater die geproduceerd moet kunnen worden om aan de vraag te voldoen) te berekenen, is gebruik gemaakt van de methodiek zoals die gebruikt wordt in de drinkwatersector [2], [5]. De noodzakelijke productiecapaciteit wordt berekend uit de netto drinkwaterbehoefte (het daadwerkelijk gebruikte drinkwater). Hierbovenop komt nog een aantal posten voor verliezen en reserves. Daardoor ligt de noodzakelijke productiecapaciteit hoger dan de netto drinkwaterbehoefte (zie afbeelding 1).

Afbeelding 1. Rekenmethodiek voor prognose van de Nederlandse drinkwatervoorziening. Gebaseerd op [2]. NIRG = niet-in-rekening-gebracht verbruik

De netto drinkwaterbehoefte bestaat uit vier componenten [1]:

  • huishoudelijke vraag
  • zakelijke vraag
  • industriële vraag
  • agrarische vraag (vooral veedrenking)

Vervolgens moet er rekening worden gehouden met niet-in-rekening-gebracht verbruik (NIRG) en productieverliezen. NIRG is het verschil tussen het in het leidingnet afgeleverde drinkwater en het met klanten verrekende drinkwater. Het verschil ontstaat door het spuien van leidingen, distributieverliezen, bluswatergebruik en meetfouten. Bovendien streven drinkwaterbedrijven naar extra capaciteit om in te spelen op onvoorziene omstandigheden.

Aan de leveringskant is de maatgevende productiecapaciteit essentieel (zie afbeelding 1). Deze is het minimum van de convenantruimte, winningscapaciteit, zuiveringscapaciteit en vergunningsruimte. De operationele reserve is dan het verschil tussen de maatgevende en de noodzakelijke productiecapaciteit. Dit wordt uitgedrukt als een percentage van de netto drinkwaterbehoefte. Bij een positief percentage zijn er voldoende reserves, bij een negatief percentage wordt de productiecapaciteit als te krap gezien.  

Ontwikkeling scenario's
Voor de drinkwatervraagscenario’s in 2050 is onderscheid gemaakt tussen basisscenario’s en beleidsscenario’s. Er zijn twee basisscenario’s ontwikkeld waarin de relevante sociaaleconomische ontwikkelingen zijn beschreven bij hoge of lage sociaaleconomische groei. Daarnaast zijn er twee onderscheidende beleidsscenario’s ontwikkeld, waarin verschillend mitigerend beleid is opgenomen om het drinkwaterverbruik te verlagen. In totaal leiden de combinaties van het basisscenario en de twee aanvullende beleidsscenario’s, met hoge of lage sociaaleconomische groei, tot zes verschillende scenario’s (zie tabel 1).

Huishoudelijke vraag
Huishoudelijk verbruik vormt het grootste gedeelte van de netto drinkwaterbehoefte (~73 procent in 2021 [1]) en is het product van het aantal inwoners en het hoofdelijk verbruik (zie formule 1). Voor de bevolkingsomvang in 2050 is in de basisscenario’s uitgegaan van de prognoses door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en CBS uit 2022 [6]. De Nederlandse bevolking neemt in het lage basisscenario toe van 17,6 miljoen inwoners in 2021 naar 18,6 miljoen in 2050 en naar 20,6 miljoen in het hoge basisscenario. Voor het hoofdelijk verbruik is in het lage scenario een afname van 128 l.p.p.p.d. in 2021 naar 126 l.p.p.p.d aangenomen, in navolging van de Deltascenario’s ’24 [7]; in het hoge scenario is dit een toename tot 134 l.p.p.p.d. (overgenomen uit [1]).

Tabel 1. Kerngetallen drinkwatervraagscenario’s 2050

Scenario

Laag

Hoog

Inwoners (miljoen)

Hoofdelijk verbruik (l.p.p.p.d.)

Inwoners

(miljoen)

Hoofdelijk verbruik (l.p.p.p.d.)

Basisscenario

18,6

126

20,6

134

Basis+Vrijblijvend

117

125

Basis+Sturend

95

103

 

Met besparingsbeleid kan het hoofdelijk verbruik afnemen. Samenhangende pakketten van maatregelen zijn geformuleerd in de beleidsscenario’s en zijn gebaseerd op referentie [8]. De maatregelen in de verschillende beleidsscenario’s zijn te kenmerken als een vrijblijvend en een sturend maatregelpakket. Het vrijblijvende pakket bevat maatregelen die uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid, zoals communicatiecampagnes die de kleine WC-knop sturen en vergelijking van verbruik met anderen. Dit zou het verbruik met 9 l.p.p.p.d. kunnen doen afnemen ten opzichte van het basisscenario [8].

Het sturende pakket bevat maatregelen als gebruik van regenwater voor toilet en buitenkraan in bestaande bouw, en sturing van het marktaanbod naar zuinige douches. Dit zou het verbruik met 31 l.p.p.p.d. kunnen doen afnemen ten opzichte van het basisscenario [8]. Voor details van de maatregelen en implementatiegraad wordt verwezen naar [8]. Het totale huishoudelijk verbruik in Mm3/jaar kan dan berekend worden met formule 1:

Formule 1. Huishoudelijk verbruik in Mm3/jaar; inwoners in miljoenen; hoofdelijk verbruik in l.p.p.p.d.; 365.25 dagen per jaar en 103 een correctiefactor voor de gewenste eenheid

Overige componenten en totaal

De zakelijke vraag bedroeg in 2021 zo’n 9 procent van de netto drinkwaterbehoefte [1]. Deze zakelijke vraag is gecorreleerd met het aantal inwoners in Nederland en op basis van de periode 2003 tot 2020 is de empirische formule 2 bepaald zoals beschreven in [1]:

Formule_2.jpeg

Formule 2. Zakelijk verbruik in Mm3/jaar; inwoners in miljoenen

Voor de industrie (~14 procent van de netto drinkwaterbehoefte) is in navolging van de Deltascenario’s ’24 uitgegaan van een afname van 13 procent [7]. Daarmee zou het industriële verbruik afnemen van 155 naar 134 Mm3/jaar. Agrarisch verbruik blijft gelijk op 42 Mm3/jaar. De som van huishoudelijk, zakelijk, industrieel en agrarisch drinkwaterverbruik is de netto drinkwaterbehoefte (zie afbeelding 1). Daarbovenop komt nog de verbruikscomponent NIRG, waarvan aangenomen is dat dit gelijk blijft op 6,3 procent van de netto drinkwaterbehoefte [1], [7]. Ook het productieverlies (42 Mm3/jaar) en productie van andere kwaliteit water (72 Mm3/jaar) (beide samengevat onder de noemer productieverlies) is aangenomen stabiel te zijn. Landelijk gezien was dit 9,8 procent van de netto drinkwaterbehoefte in 2021 [9]. Daarnaast hanteren drinkwaterbedrijven ook nog een opslag van 10 procent van de netto drinkwaterbehoefte, zodat ingespeeld kan worden op onvoorziene vraagontwikkelingen en onderhoud. De noodzakelijke productiecapaciteit kan dan berekend worden volgens formule 3.

Formule_3.jpeg

Formule 3. Componenten huishoudelijk (formule 1), zakelijk (formule 2), industrieel en agrarisch in Mm3/jaar, NIRG 0,063; productieverlies 0,098; onvoorzien 0,1

Schatting scenario's landelijke vraag
In het referentiejaar 2021 was er op landelijk niveau een netto drinkwaterbehoefte van 1.120 Mm3, (zie afbeelding 2). In totaal was de noodzakelijke productiecapaciteit dan 1.413 Mm3/jaar en de maatgevende productiecapaciteit was 1.355 Mm3/jaar [2]. Hiermee was er landelijk een negatieve operationele reserve van −4 procent. Daarbij verschilt de krapte lokaal sterk [2]. Er was echter geen sprake van een absoluut tekort door de opslag voor onvoorzien van 10 procent.

In 2050 is in het lage basisscenario de toename van de bevolking beperkt en door kleine besparingen in hoofdelijk verbruik en de industriële vraag neemt de noodzakelijke productiecapaciteit beperkt toe tot 1.443 Mm3/jaar. De operationele reserve neemt iets af naar −6 procent. Bij een gelijke maatgevende productiecapaciteit is er dan een tekort van ~90 Mm3/jaar. In het hoge basisscenario daarentegen groeit de noodzakelijke productiecapaciteit naar 1.654 Mm3/jaar. Bij een gelijke maatgevende productiecapaciteit is er dan een negatieve operationele reserve van −21 procent, een tekort van ~300 Mm3/jaar. In beide basisscenario’s zijn er nieuwe bronnen nodig, maar enkel in het hoge basisscenario treden absolute tekorten op.

DRWvraag Afbeelding 2 Landelijk Overzicht Totale Drinkwatervraag

Afbeelding 2. Landelijke drinkwatervraag in de verschillende scenario’s. Drinkwatergegevens voor 2021 uit [1]; gegevens voor maatgevende en technische capaciteit en vergunningsruimte gelden voor 2021 uit [2]

De huishoudelijke vraag vormt het grootste gedeelte van de noodzakelijke productiecapaciteit. Maatregelen die het hoofdelijk drinkwaterverbruik reduceren, kunnen de groei in drinkwatervraag door bevolkingsgroei sterk beperken. In het lage basisscenario met vrijblijvende maatregelen is het beperkte effect (−9 l.p.p.p.d.) van deze maatregelen al voldoende om de noodzakelijke productiecapaciteit tot 1.349 Mm3/jaar te reduceren. De operationele reserve komt dan, bij een gelijke productiecapaciteit in 2050, al op +1 procent uit. In het hoge scenario zal er ondanks de vrijblijvende maatregelen nog steeds een negatieve operationele reserve van −15 procent ontstaan.

Sturend beleid vraagt meer qua investeringen en inzet van burgers, maar zou een zeer sterke reductie in hoofdelijk verbruik kunnen betekenen (−31 l.p.p.p.d.). In het lage scenario neemt de noodzakelijke productiecapaciteit dan af tot 1.177 Mm3/jaar. Daarmee ontstaat er een positieve operationele reserve van maar liefst +21 procent. Ook in het hoge scenario, met drie miljoen mensen meer dan in 2021, zouden de sturende maatregelen afdoende zijn om met de huidige maatgevende capaciteit toe te kunnen. De noodzakelijke productiecapaciteit is dan 1.328 Mm3/jaar, wat neerkomt op een positieve operationele reserve van +3 procent. Daarvoor is het wel nodig dat de huidige winningen goed beschermd blijven, om de wincapaciteit en kwaliteit van de bronnen te waarborgen.

Regionale huishoudelijke vraag
Binnen Nederland zijn er grote verschillen in de balans tussen waterbeschikbaarheid voor drinkwaterproductie en de drinkwatervraag. Zo heeft Evides vooralsnog voldoende maatgevende capaciteit, maar is er wel krapte bij onder andere Waterbedrijf Groningen en bij Vitens in cluster Oost-Gelderland [2]. Om deze reden is ook de regionale verandering in de huishoudelijke drinkwatervraag onderzocht.

Hiertoe is de huishoudelijk vraag per leveringsgebied onderzocht. In totaal worden er 166 leveringsgebieden onderscheiden, die voorzien worden door één of meerdere productiestations. Vervolgens zijn de leveringsgebieden met behulp van GIS-software over de gemeentelijke bevolkingsprognoses voor 2050 gelegd. In gemeenten die over meerdere leveringsgebieden verspreid liggen, is het bevolkingsaantal proportioneel naar oppervlakte verdeeld. De bevolkingsaantallen zijn vervolgens vermenigvuldigd met het hoofdelijk verbruik (zie ook formule 1 en tabel 1). Vervolgens is per scenario en leveringsgebied de referentievraag voor 2021 (17,6 miljoen inwoners, 128 l.p.p.p.d.) afgetrokken van de berekende huishoudelijke vraag in 2050.

In beide basisscenario’s is er een landelijke groei te zien (afbeelding 2), maar zijn er grote verschillen tussen de leveringsgebieden (zie afbeelding 3). In het lage basisscenario (afbeelding 3a) is de huishoudelijke vraag in grote delen van het land gekrompen. In 75 van de 166 leveringsgebieden vindt groei plaats. Deze liggen vooral in de Randstad en rond enkele grotere provinciesteden. In het hoge basisscenario daarentegen (b) neemt de huishoudelijke vraag in bijna alle leveringsgebieden (161) toe en is de groei in de Randstad versterkt.

Door aanvullend besparingsbeleid neemt het aantal leveringsgebieden waar de vraag groeit af. Bij het vrijblijvende beleidsscenario en lage bevolkingsgroei betekent dit, dat de huishoudelijke vraag in slechts 30 leveringsgebieden groeit. Deze is opnieuw geconcentreerd rond de grootste groeisteden (afbeelding 3c). In het hoge scenario blijft er ondanks de aanvullende maatregelen groei in 134 leveringsgebieden (d). Met name de groei rond de grootste steden blijft sterk. Sturende maatregelen kunnen daarentegen in het lage scenario een afname in huishoudelijke vraag bewerkstelligen in alle leveringsgebieden (e). Zelfs in het hoge scenario is de huishoudelijke vraag dan in bijna alle provinciale gemeenten afgenomen. Enkel rond de grote groeisteden in de Randstad, maar ook rond Eindhoven en Ede, groeit de bevolking dusdanig dat nog groei plaatsvindt (f).

 

DRWvraag Afbeelding 3 Regionale huish vraag 

Afbeelding 3. Verandering in huishoudelijke vraag per leveringsgebied voor (a, b) de basisscenario’s; (c, d) aanvullende, vrijblijvende maatregelen; (e, f) aanvullende, sturende maatregelen. Met (a, c, e) de lage basisscenario’s; (b, d, f) de hoge basisscenario’s. Zie voor scenariodetails tabel 1

Betekenis voor beleid
Dit onderzoek toont dat in 2050, voor de doorgerekende basisscenario’s, zo’n 90 tot 300 Mm3/jaar extra maatgevende capaciteit nodig is om aan de drinkwatervraag te kunnen (blijven) voldoen. Voorliggende plannen uit het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen zorgen voor een maximale extra capaciteit van ongeveer 215 Mm3/jaar [10]. Met andere woorden: bovenop dit bestaande programma kan nog meer productiecapaciteit nodig zijn als het hoge basisscenario waarheid wordt. Het is bovendien nog onzeker of al deze plannen daadwerkelijk door zullen gaan. Nieuwe winningen kunnen bijvoorbeeld niet vergund worden vanwege onacceptabele omgevingseffecten hebben op natuur.

De aanvullende beleidsscenario’s maken duidelijk dat huishoudelijke besparing een doeltreffende manier kan zijn om de drinkwatervraag terug te dringen. Dit verlicht ook de druk op de bronnen. De maatregelen in het NPvA drinkwaterbesparing [4], zoals slimme watermeters en het stimuleren van de kleine WC-knop, lijken vooral op het hierboven doorgerekende vrijblijvende beleidsscenario. Ervan uitgaande dat het effect van de maatregelen uit het NPvA op hoofdelijk verbruik vergelijkbaar is (afname van 9 l.p.p.p.d.), laat deze studie zien dat er zo’n 60 tot 70 Mm3/jaar minder water nodig zal zijn ten opzichte van de basisscenario’s. Bij hoge bevolkingsgroei is er dan nog steeds in veel delen van het land forse uitbreiding van bronnen nodig.

In een later stadium van het NPvA drinkwaterbesparing (op zijn vroegst 2028) worden mogelijk ook meer sturende maatregelen genomen, zoals cascadering in de nieuwbouw. De Algemene Rekenkamer heeft in 2025 voorgerekend dat dit tot 2035 een beperkt effect zal hebben (−3 l.p.p.p.d. in 2035) [11]. De aanvullende sturende maatregelen die hier zijn doorgerekend gaan uit van een afname van 31 l.p.p.p.d. in zichtjaar 2050. Daarmee wordt het doelverbruik van 100 l.p.p.p.d. uit het NPvA wel bereikt. De belangrijkste maatregel (−17 l.p.p.p.d.) is echter waterhergebruik in 40 procent van de bestaande woningen [8]. Daarmee is het doorgerekende sturende maatregelpakket waarschijnlijk ingrijpender dan het NPvA.

Op basis van de onderzochte literatuur lijkt het onwaarschijnlijk dat enkel de maatregelen in het NPvA afdoende zullen zijn om tot 100 l.p.p.p.d. in 2050 te komen [8], [11]. De uitgevoerde berekeningen laten daarentegen wel zien dat zo’n sterke reductie in hoofdelijke vraag, zelfs bij hoge bevolkingsgroei, de toename van de drinkwatervraag effectief kan doen stoppen. In het hoge scenario zijn er dan alsnog in enkele regio’s mogelijk extra bronnen nodig. De opgave is echter significant kleiner en vooral in de landelijke, grondwatergevoede gebieden zou er zelfs significant minder water gewonnen hoeven worden. Bij lage bevolkingsgroei geldt dit zelfs voor alle leveringsgebieden. De verminderde onttrekkingshoeveelheden komen zo beschikbaar voor andere functies, zoals natuur en landbouw.

Toekomstrichtingen voor voldoende drinkwater
Dit onderzoek toont dat er in 2050 maximaal 300 Mm3 drinkwater per jaar extra nodig is als het hoogste bevolkingsgroeiscenario uitkomt. In dat geval zou, zelfs als alle plannen uit het Actieprogramma drinkwaterbronnen worden gerealiseerd [10], de huidige maatgevende capaciteit niet volstaan. De beleidsscenario’s tonen daarentegen ook dat huishoudelijke besparing een effectieve manier kan zijn om de druk op drinkwaterbronnen te verminderen. Zelfs relatief kleine huishoudelijke besparingen kunnen al een sterk effect hebben op de drinkwatervraag in absolute zin. Als het lukt de hoofdelijke vraag inderdaad te reduceren tot 100 l.p.p.p.d., zoals het NPvA beoogt, zal zelfs bij hoge bevolkingsgroei de landelijke drinkwatervraag afnemen.

Huishoudelijke besparing kan een grote rol spelen in het veiligstellen van voldoende water. Het is echter nog onzeker welke effecten de huidige maatregelen daadwerkelijk zullen hebben. Mogelijk zijn er meer sturende maatregelen nodig dan tot nu toe opgenomen in het NPvA [4]. Bij deze maatregelen vormen kosteneffectiviteit, volksgezondheid en politiek-bestuurlijk draagvlak mogelijke knelpunten.

Richting 2050 is het belangrijk om de ontwikkeling van de bevolking en het huishoudelijk verbruik goed te monitoren, om ook tijdig bij te kunnen sturen. Zo kan de drinkwatervoorziening in Nederland gewaarborgd blijven. Naast besparing door huishoudens is het ook belangrijk om drinkwaterbesparing door industriële gebruikers te onderzoeken. Er is daarbij nog behoefte aan een landelijk overzicht van regionaal industrieel drinkwaterverbruik en het besparingspotentieel. Daarnaast bestaan er ook andere oplossingsrichtingen, zoals het gebruik van onconventionele bronnen. Die zijn hier niet onderzocht, maar kunnen wel bijdragen aan het garanderen van voldoende bronnen in de toekomst.


Samenvatting
De Nederlandse drinkwatervraag in 2050 is onderzocht voor verschillende scenario’s van drinkwaterbesparing en bevolkingsgroei. Zonder besparing en bij lage bevolkingsgroei blijkt de drinkwatervraag slechts zo’n 3 procent toe te nemen, maar bij sterke bevolkingsgroei kan dit oplopen tot zo’n 25 procent. In 2050 zijn dus mogelijk veel meer bronnen nodig. Actief besparingsbeleid kan de vraag verminderen. Vrijblijvende maatregelen, zoals communicatiecampagnes, lijken echter te weinig effectief. Sturende, ingrijpende maatregelen, zoals regenwatergebruik, kunnen wel een daling bereiken. Richting 2050 is het belangrijk de effecten van besparingsbeleid te blijven monitoren en eventueel bij te sturen om zo voldoende drinkwater te garanderen


REFERENTIES
1. Baggelaar, P., Kuin, P., & Geudens, P. (2022). Prognoses drinkwatergebruik in Nederland t/m 2040.
2. Van Leerdam, R. C., Rook, J. H., Riemer, L., & Van der Aa, N. G. F. M. (2023). Waterbeschikbaarheid voor de bereiding van drinkwater tot 2030 - knelpunten en oplossingsrichtingen.
3. Van Leerdam, R., As, K. S., & Van der Aa, N. G. F. M. (2025). De drinkwatervoorziening van de toekomst: Ontwikkeling bronnen, zuiveringstechnologie en klimaatrisico’s 2030 tot 2050.
4. Ministerie van I&W. (2024). Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing.
5. Beuken, R., & Vreeburg, J. (2015). Behoefteprognose en behoeftedekking Nederlandse drinkwatervoorziening: Methodiek.
6. Planburau voor de Leefomgeving, Centraal Bureau voor de Statistiek (2022). Regionale bevolkings en huishoudens prognose 2022-2050: Steden en randgemeenten groeien verder.
7. Van der Brugge, R., & De Winter, R. (2024). Deltascenario's 2024: zicht op water in Nederland.
8. Koop, S. H. A., Brouwer, S., & Zeidan, M. (2023). 100 liter per persoon per dag: Welke waterbesparings-maatregelen zijn nodig?
9. Vewin. (2023). Drinkwaterstatistieken 2022: Van bron tot kraan.
10. Ministerie van Infratstructuur&Waterstaat (2025). Kamerbrief bij Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023 - 2030.
11. Algemene rekenkamer. (2025). Drinkwater onder druk: Drinkwaterbesparing: tijd voor resultaten.

 

Typ je reactie...
Je bent niet ingelogd
Of reageer als gast
Loading comment... The comment will be refreshed after 00:00.

Laat je reactie achter en start de discussie...

(advertentie)

Laatste reacties op onze artikelen

Je hebt helemaal gelijk Wil. Tot in Oost-Groningen hebben ze zoet water nodig, dat komt daar via het Van Starkenborghkanaal, het Prinses Margrietkanaal het IJsselmeer en de IJssel. Maar dat zoete water moet er wel zijn!
Om het zoete water via de Nieuwe Waterweg weg te laten lopen is zonde en levert bij verdere zeespiegelstijging forse zoutproblemen op. De Deltacommissaris zei “het zout komt, wen er maar aan”. Tja, als je niets doet komt het.

Jaja. Particulieren mogen ze zelf niet vangen. Gevolg steeds meer leven houden. Wat is zo stomme regels. Zoals hoornaars. Ik heb aan gemeente over veel  hoornaars in mijn tuin doorgegeven. Dat gebeurd niks. Zoek maar zelf uit. 👏
Waarom worden de dijken niet beregend vanuit de vaarten? Een boot met een pomp en een spuit kan toch het gebied doorvaren en water op de dijken sproeien?
Mooi stuk die de kracht van de publieke nutsvoorzieining in handen van de publieke zaak onderstreept. Misschien een detail, maar, in Schotland is er ook Scottish water, wat wel van de Schotse regering is. Zou dus beter zijn om dit verhaal op met name de Engelsen ipv de Britten toe te spitsen.