De druk op het Nederlandse watersysteem neemt toe door vervuiling, klimaatverandering en de groeiende vraag naar drinkwater. Plannen voor nieuwe waterwingebieden, waterberging en dijkversterking lopen vast in trage procedures en geld- en ruimtegebrek. ‘We moeten scherpe keuzes maken’, waarschuwt Vincent Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Tekst Dorine van Kesteren | Beeld Marcel Molle
Het ministerie van Vanzelfsprekende Zaken noemt Vincent Karremans zijn ministerie weleens. Iedereen vindt het immers normaal dat wegen, bruggen en sluizen functioneren, we droge voeten houden en er overvloedig en schoon water uit de kraan komt. “Juist omdat Nederlanders gewend zijn dat alles goed geregeld is, vergeten we weleens hoeveel inspanningen daarvoor nodig zijn. Achter iedere veilige dijk, iedere drinkwaterleiding en iedere waterzuivering staan mensen die daar dagelijks hard aan werken”, zegt de man die sinds februari namens de VVD minister van Infrastructuur en Waterstaat is in het kabinet-Jetten.
Water heeft een bijzondere betekenis voor hem. “Ik kom uit Rotterdam: een stad die groot is geworden dankzij het water. De Nieuwe Waterweg is ooit gegraven om de haven bereikbaar te maken. Water heeft de economie van ons land gevormd, onze geschiedenis bepaald en onze identiteit gemaakt. Ook persoonlijk betekent water veel voor mij. Ik woon vlak bij de Rotte en ga daar graag hardlopen. Dat geeft rust. Al luister ik tijdens het lopen vaak ook nog naar een politieke podcast, haha.”
Over vanzelfsprekendheden gesproken. Hoe lang komt er nog water uit de kraan? De baas van Vitens en een gedeputeerde van Overijssel zeiden onlangs in NRC dat we ‘vet in de problemen zitten’.
“Ik vind het goed dat drinkwaterbedrijven en bestuurders de urgentie benadrukken. Door klimaatverandering, vervuiling en de groei van de bevolking en economie neemt de druk op de bestaande bronnen toe. Maar we laten het niet gebeuren dat er geen water meer uit de kraan komt, ook niet tijdens langere periodes van droogte. Dat is voor mij een harde randvoorwaarde. Daarom werken we samen met drinkwaterbedrijven, provincies en waterschappen aan een actieprogramma om de drinkwatervoorziening ook in de toekomst veilig te stellen.
‘Ik sluit niet uit dat drinkwaterbedrijven in sommige situaties een zwaardere positie zouden moeten krijgen’
Een van de grootste knelpunten zit in de vergunningverlening. Drinkwaterbedrijven willen bronnen uitbreiden, nieuwe bronnen ontwikkelen en alternatieve winningstechnieken toepassen. Dat kost tijd. Maar wat vooral tijd kost, zijn de procedures. Mijn simpele constatering is: die procedures hebben we als overheid zelf bedacht. Dus als ze onnodig ingewikkeld of langdurig zijn geworden, moeten we bereid zijn om ze aan te passen. Dat betekent niet dat belangen van natuurorganisaties of omwonenden niet meer meetellen. Natuurlijk moeten mensen bezwaar kunnen maken. We zien wel dat veel maatschappelijke opgaven vastlopen doordat Nederland sterk gejuridiseerd is geraakt. Dat geldt voor woningbouw, infrastructuur en drinkwater. Ik wil dan ook kijken hoe de vergunningverlening sneller en eenvoudiger kan, zonder dat de zorgvuldigheid verloren gaat.”
Moeten drinkwaterbedrijven voorrang krijgen op andere ruimtevragers?
“Dat is een interessante discussie. Drinkwater is een basisvoorziening en ik sluit niet uit dat deze bedrijven in sommige situaties een zwaardere positie zouden moeten krijgen. Maar dat moet wel zorgvuldig worden bekeken. Voor mij staat in ieder geval vast dat we drinkwater veel eerder moeten meenemen in ruimtelijke keuzes dan we nu vaak doen. Net zoals we tegenwoordig kijken of er voldoende ruimte is op het elektriciteitsnet en of er goede infrastructuur aanwezig is, moeten we bij nieuwbouwplannen ook kijken naar de beschikbaarheid van drinkwater.”
Aan de aanbodkant speelt ook dat grond- en oppervlaktewater steeds verder vervuild raken door onder andere industriële stoffen, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en medicijnresten.
“De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een complex dossier. De waterkwaliteit moet beter, dat staat buiten kijf. Tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn over waar we nu staan. Ik verwacht niet dat Nederland in 2027 aan alle doelen van de richtlijn voldoet, en de andere EU-landen ook niet. Dat betekent echter niet dat we de doelen loslaten. Wel wil ik voorkomen dat dit uitgroeit tot een nieuw stikstofprobleem dat grote delen van het land op slot zet. Nederland ligt in een van de economisch meest intensief gebruikte delta’s ter wereld. Tussen Rotterdam en Vlissingen bevindt zich een van de sterkste economische regio’s van Europa. Dat brengt spanning met zich mee. Daar ben ik realistisch in; mijn inzet is om schoon water en een sterke economie zo goed mogelijk te combineren. We moeten blijven werken aan de KRW, maar wel op een manier die haalbaar en uitvoerbaar is.”
‘Ik heb geen pinautomaat met gratis geld op het ministerie staan’
Dan de vraag naar drinkwater. Hoe dammen we die in?
“Huishoudens zijn verantwoordelijk voor ongeveer 74 procent van het drinkwatergebruik. Gemiddeld gebruikt iedere Nederlander zo’n 118 liter per dag. Bewustwording blijft daarom van belang. Om mensen te stimuleren zuiniger met water om te gaan, zijn we in juni gestart met een nieuwe publiekscampagne. Omdat 40 procent van het water tijdens het douchen wordt gebruikt, ligt de nadruk op korter douchen. Onder de slogan ‘Word geen Douchebag. Fris in 5 minuten’ laten we op een grappige manier zien hoeveel water ongemerkt verloren gaat door lang te douchen. Een campagne is geen wondermiddel, maar wel een belangrijk onderdeel van de oplossing. Voor het eerst sinds de jaren tachtig voert de overheid weer een landelijke campagne voor drinkwaterbesparing door huishoudens. We werken daarnaast aan waterbesparing bij bedrijven én in 2030 willen we dat drinkwaterbedrijven 100 miljoen kuub extra per jaar winnen.”
De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur adviseert om het principe ‘de gebruiker betaalt’ sterker door te voeren in de waterprijzen.
“Daar ben ik terughoudend mee, want ik wil niet dat gewone gezinnen de rekening krijgen van een probleem dat veel breder is. Uit onderzoek blijkt bovendien dat je de prijs extreem moet verhogen voordat mensen substantieel minder gaan gebruiken. Dan praat je niet over een paar procent, maar over forse prijsstijgingen. Dat vind ik geen aantrekkelijke route. Wel kijk ik naar een hoger tarief bij excessief watergebruik.”
Wat is excessief gebruik? Regendouches? Van die reuzenzwembaden?
“Dat moeten we nog bepalen. Het lijkt me logisch dat we onderscheid maken tussen normaal en uitzonderlijk hoog gebruik. Maar we moeten ook niet doorslaan. We leven niet in een land waarin de overheid gaat bepalen of mensen wel of geen opzetzwembad in hun tuin mogen zetten.”
Onder het huidige kabinet is het begrip ‘water- en bodemsturend’ terug van weggeweest. Wat houdt dat voor u in?
“Voor mij is dit geen nieuw idee; Nederland is al eeuwen water- en bodemsturend. Onze voorouders bouwden terpen omdat ze begrepen hoe water werkte. Ze bouwden niet zomaar ergens, maar hielden rekening met de eigenschappen van de bodem en de risico’s van het landschap. Dat principe is vandaag net zo relevant. Water en bodem moeten vanaf het begin worden meegenomen bij ruimtelijke keuzes. Zo voorkom je dat je later voor grote problemen of hoge kosten komt te staan.”
Ruimte voor de rivier, dijkversterkingen, water langer vasthouden: kan dat allemaal in ons kleine land?
“We willen woningen bouwen, de natuur beschermen, energie-infrastructuur aanleggen, economische groei mogelijk maken en ruimte bieden aan landbouw en recreatie. Ondertussen vraagt klimaatverandering om meer ruimte voor water. En dat alles in een klein en dichtbevolkt land. Soms wordt er gedaan alsof er voor elk probleem een eenvoudige oplossing bestaat, maar zo werkt het niet. Ruimte is schaars. Als je ergens bijvoorbeeld ruimte reserveert voor waterberging, kun je diezelfde plek niet voor iets anders gebruiken. Politiek gaat vervolgens over de vraag hoe je die schaarse ruimte verdeelt.

Zelf geloof ik sterk in het combineren van functies. Toen ik als wethouder in Rotterdam verantwoordelijk was voor klimaatadaptatie, zag ik hoe je verschillende opgaven kunt verbinden. Een mooi voorbeeld is het Hofplein. Jarenlang was dat een grote verkeersrotonde midden in de stad. Nu wordt het gebied omgevormd tot een groen stadspark, met daaronder een waterberging. Dus één investering zorgt voor meer groen, een prettigere leefomgeving én extra capaciteit om regenval op te vangen.”
Moeten waterschappen een bindend advies kunnen geven over wel of niet bouwen op een bepaalde plek?
“Waterschappen beschikken over veel kennis en ervaring. Een van mijn eerste afspraken als wethouder destijds was met de dijkgraaf, juist omdat hun expertise van grote waarde is. Ook het wateradvies onder de Omgevingswet speelt een belangrijke rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Toch gaat een bindend advies mij te ver. Dan maak je de besluitvorming opnieuw ingewikkelder. Bovendien is geen enkel belang absoluut. Waterveiligheid is belangrijk, maar dat geldt ook voor woningbouw en economische ontwikkeling. Uiteindelijk moet er altijd een bestuurlijke afweging plaatsvinden.”
Een natte tuin is beter dan geen huis, zei uw oud-collega Mona Keijzer.
“Die uitspraak begrijp ik wel. We hebben een enorme woningbouwopgave; er moeten honderdduizenden woningen bijkomen. Als je ‘water- en bodemsturend’ zo strikt uitlegt dat je op veel plekken helemaal niet meer mag bouwen, maak je die opgave vrijwel onmogelijk. Ik ben niet van de school die zegt dat bouwen onder NAP voortaan verboden moet worden. Want dan kunnen we een groot deel van Nederland afschrijven. Neem Rotterdam: ongeveer 85 procent van de stad ligt onder het niveau van de Maas. Toch wonen daar honderdduizenden mensen en bevindt zich er een van de voornaamste economische centra van ons land.
De vraag is daarom niet óf je bouwt, maar hóe je bouwt. ‘Water- en bodemsturend’ betekent niet dat je automatisch stopt met bouwen op plekken waar risico’s zijn. Het betekent dat je vooraf goed nadenkt over die risico’s en je ontwerp daarop aanpast. Dat kan op allerlei manieren. In sommige buitendijkse delen van Rotterdam weten we bijvoorbeeld dat er af en toe water kan komen. Dat is geen verrassing; dat hoort bij die locatie. Dan moet je gebouwen zo ontwerpen dat ze daartegen bestand zijn: technische installaties hoger plaatsen, woonfuncties niet op de begane grond situeren en gebruikmaken van waterbestendige materialen, zoals watervaste deuren. Zo leer je leven met het water, in plaats van er voortdurend tegen te vechten.”
Deltacommissaris Co Verdaas sprak in H2O zijn zorg uit over het budget voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma.
“Die zorg begrijp ik goed. Verdaas heeft erop gewezen dat het budget van ongeveer 14 miljard euro voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma waarschijnlijk niet voldoende zal zijn. Door hogere kosten van materialen, stijgende lonen en nieuwe inzichten over welke dijken moeten worden versterkt, kan het tekort oplopen – mogelijk tot meerdere miljarden euro’s.
De financiële uitdagingen zijn inderdaad groot. De komende jaren moet een gigantische hoeveelheid infrastructuur worden onderhouden, vervangen of versterkt. Denk aan sluizen, gemalen, bruggen, dijken en stormvloedkeringen. Veel van die objecten naderen het einde van hun technische levensduur. Klimaatverandering is hierbij een complicerende factor. We krijgen te maken met extremere neerslag, langere periodes van droogte, hogere rivierafvoeren en een stijgende zeespiegel. Dat betekent dat sommige investeringen eerder nodig zijn dan oorspronkelijk was voorzien.
‘Water- en bodemsturend’ betekent niet dat je automatisch stopt met bouwen op plekken waar risico’s zijn’
Ik moet eerlijk zijn: ik heb geen pinautomaat met gratis geld op het ministerie staan. We kunnen niet onbeperkt geld uitgeven. Daarom kijken we momenteel kritisch naar de prioriteiten binnen de beschikbare middelen. Dat is geen eenvoudige opgave. Dezelfde aannemers die dijken versterken, zijn ook nodig voor woningbouw, uitbreidingen van het elektriciteitsnet, drinkwaterprojecten en andere grote infrastructurele projecten. Op veel plekken is het letterlijk dringen om capaciteit. Dat betekent dat we scherper moeten kiezen dan vroeger. Niet alles kan tegelijk. We moeten voortdurend kijken welke investeringen het meest urgent zijn voor de veiligheid van Nederland. Voor mij staat daarbij één ding vast: waterveiligheid is een van de kerntaken van de overheid. De komende jaren zullen we dus voortdurend moeten afwegen waar we geld, mensen en ruimte het beste kunnen inzetten. Dat vraagt om realisme, prioritering en een langetermijnvisie. Net als de watersector zullen we moeten denken in decennia en eeuwen – iets wat in de politiek niet altijd even gemakkelijk is.”
Als minister van Economische Zaken nam u het topsectorenbeleid op de schop. In het nieuwe industriebeleid vallen Water & Maritiem buiten de boot. “Dat wil niet zeggen dat water minder relevant is geworden. We hebben bewust gekozen voor een selectiever industriebeleid met zes prioritaire sectoren, zoals AI, defensietechnologie en halfgeleiders. Als je schaarse middelen en capaciteit over te veel sectoren verdeelt, krijgt uiteindelijk geen enkele sector echt de focus die nodig is. De watersector kan ook profiteren van ontwikkelingen rond AI of quantum.
Water blijft voor Nederland een strategisch dossier, vanwege het belang van waterveiligheid, drinkwater, klimaatadaptatie, de Rotterdamse haven en de export van waterkennis en -technologie. Ook voor de maritieme sector blijft aandacht bestaan. De Tweede Kamer heeft onlangs een motie aangenomen om via een sectoragenda te blijven investeren in de maritieme maakindustrie. Via deze agenda werkt het ministerie samen met bedrijven en kennisinstellingen aan de versterking van de scheepsbouw en maritieme technologie. Ook zonder formele topsectorstatus kunnen deze sectoren dus worden ondersteund, bijvoorbeeld via innovatiebeleid, samenwerking en betere regelgeving.”
Wat is uw boodschap voor de watersector?
“Die is simpel: ga door met het belangrijke werk dat jullie doen. Een goed beheer van ons water is essentieel voor de veiligheid, economie en leefbaarheid. De uitdagingen worden groter door klimaatverandering, zeespiegelstijging en de groeiende vraag naar drinkwater. Vroeger kwam de dreiging vooral uit zee. Tegenwoordig komt die van alle kanten: van de rivieren, van extreme neerslag en van droogte. Gelukkig beschikt Nederland over veel kennis en ervaring. Onze havens, binnenvaart, waterbeheerders en watertechnologie behoren tot de wereldtop. Die combinatie maakt ons land uniek. We voeren al eeuwen strijd met het water, maar danken er ook een groot deel van onze welvaart aan. Dat is misschien wel de kern van mijn verhaal: droge voeten en een lopende kraan zijn niet vanzelfsprekend. Juist daarom moeten we verstandig en realistisch omgaan met het water.”
Vincent Karremans (1986) studeerde ondernemingsrecht en financiële economie in Rotterdam. Later werd hij in dezelfde stad lijsttrekker en fractievoorzitter voor de VVD, wethouder en locoburgemeester. In 2024 stapte hij over naar de landelijke politiek. Hij was staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en minister van Economische Zaken. In 2026 werd hij minister van Infrastructuur en Waterstaat.
