secundair logo knw 1

Yes we can-mentaliteit, technische durf en de glorie van een goeie ouwe landaanwinning. Dat zijn de hoofdingrediënten van een potentiële nieuwe stad waarvan de Tweede Kamer de haalbaarheid wil onderzoeken. Beoogde bouwplaats: het Markermeer. Natura 2000-gebied, en een belangrijke zoetwaterbuffer voor de landbouw, natuur en drinkwaterproductie. ‘Het kan wel!’, aldus de politieke partijen die ervan dromen. Maar kan het? En ten koste van wat?


Tekst Marianne Lankelma | Beeld Waterstudio, KuiperCompagnons & Blue21


Een natuurwet van verkiezingstijd is dat het in partijprogramma’s hoort te barsten van de daadkracht en groene vergezichten vol betaalbare woningen. Zo ook het partijprogramma van D66, waarin vorig jaar een plan opdook voor een nieuw eiland van 2.500 hectare in het Markermeer, met plek voor zo’n 60.000 woningen en 126.000 inwoners. De nieuwe stad zou voor nieuwe auto- en OV-verbindingen tussen Amsterdam en Almere moeten zorgen, en samengaan met royale natuurcompensatie door uitbreiding van de Marker Wadden. 

Het plan vond weerklank bij de ChristenUnie. Dat het meer een Natura 2000-gebied is, vindt CU-Kamerlid Pieter Grinwis ‘een manier van negatief denken’. Natuurwetgeving is bovendien ‘door mensen bedacht en kunnen we ook weer aanpassen’, aldus het Kamerlid in Nieuwsuur

Robert Tieman, voormalig minister van Infrastructuur en Waterstaat, was geen voorstander. “We verkleinen dan de waterbuffer met 7,5 miljoen kubieke meter en dat vind ik onwenselijk in het licht van dreigende watertekorten. De huidige zoetwatervoorraad is belangrijk en daar moeten we niet aan tornen.” 

Met steun van D66 en de VVD pleitte Grinwis voor onderzoek naar de mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkeling in het Markermeer, en om hier ruimte voor te reserveren in de Nota Ruimte. Minister Boekholt-O'Sullivan (Volkshuisvesting) ontraadde de motie, vanwege de functie van het meer als zoetwatervoorraad, en omdat waterbeheerders het Markermeer nodig hebben om wateroverlast te voorkomen. Toch stemde een ruime Kamermeerderheid vóór een haalbaarheidsonderzoek. 

“Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst!”, schreef Grinwis verheugd op zijn Instagram om dit moment van victorie te vieren. “Met deze beroemde uitspraak van Cornelis Lely in het achterhoofd mogen we in Nederland best wat groter denken.” Eigenlijk was het waterbouwkundig ingenieur Jean Henri Telders die deze uitspraak deed, maar de strekking is duidelijk. Moeten we in Nederland inderdaad ‘groter’ denken? Of doen we er misschien niet verstandig aan om te bouwen in onze nationale regenton? 

Koen Olthuis, architect en ceo van architectenbureau Waterstudio
“Vier jaar geleden zijn we samen met Blue21 en KuiperCompagnons de haalbaarheid van een stad in het Markermeer gaan onderzoeken, aanvankelijk op verzoek vanuit een bestuurlijke vraag. Op een gegeven moment stopte dat formele traject, maar wij hebben het onderzoek op eigen initiatief voortgezet. Daarbij kijken we naar hydrocity performance engineering, oftewel: hoe richt je een stad op het water zó in dat die sociaal-maatschappelijk, ecologisch en economisch beter functioneert dan een vergelijkbare stad op land? Voor IJstad zou het antwoord kunnen liggen in een combinatie van landaanwinning, drijvende woningen, nieuwe natuur en verbindingen tussen Amsterdam en Almere. 

Het voordeel van drijvende wijken is dat je een groot deel van de woningen aan land kunt bouwen en daarna naar hun plek kunt slepen. Daardoor beperk je de bouwactiviteiten op het water. Bovendien zijn drijvende wijken dynamisch: ze bewegen mee met het waterpeil en kunnen in de toekomst worden aangepast. In tegenstelling tot een stad op land, waar veel keuzes meteen voor tientallen jaren vastliggen, kun je op het water onderdelen verschuiven, aanvullen of functies toevoegen als de behoeften van bewoners veranderen.

Voor mij is dat een welkome uitbreiding van onze ruimtelijke gereedschapskist – zeker in een land waar we steeds meer te maken krijgen met bodemdaling, funderingsproblemen en de vraag wat we op lange termijn nog met de diepst gelegen gebieden willen. Gaan we daar eindeloos dijken verhogen, of gaan we ook andere vormen van wonen en stadsontwikkeling serieus onderzoeken? 

‘We moeten Nederland niet behandelen alsof het af is’

Dat IJstad een te grote hap uit de zoetwaterbuffer zou nemen, vind ik in het geval van drijvende woningbouw te kort door de bocht. Als je een drijvend object op het water legt, verdwijnt het water daaronder niet; de opslagcapaciteit blijft in principe bestaan. Bij landaanwinning ligt dat anders, maar ook dan moet je het effect zorgvuldig onderzoeken en niet op voorhand gebruiken als reden om innovatie al in de onderzoeksfase tegen te houden. 

We moeten Nederland niet behandelen alsof het af is. Dit land is groot geworden door waterbouwkundige verbeeldingskracht en technische durf. Het is een ontzettend mooi land, eigenlijk één grote proeftuin van waterbouwkennis. Maar die houding begint soms wat stil te vallen. Terwijl je in andere landen ziet dat er juist enorme stappen worden gezet met water-based solutions. Wij moeten onze rol daarin niet verliezen. Dat begint met blijven onderzoeken. Niet in de kiem smoren, maar stimuleren.” 

Elsa Pater, boswachter Marker Wadden bij Natuurmonumenten
“Wij zouden het absoluut onwenselijk vinden als het natuurgebied Markermeer ten koste moet gaan van woningbouw. De natuur heeft al zo weinig ruimte in ons land; laten we de weinige natuur die we nog hebben alsjeblieft niet verkleinen. Het is fijn dat er in de plannen voor IJstad aandacht is voor natuurcompensatie in de vorm van uitbreiding van Marker Wadden, maar in die redenering schuilt onbegrip van het Markermeer als ecosysteem. Mensen zijn weleens geneigd om Marker Wadden los te zien van het Markermeer, maar het gaat juist om het Markermeer zelf als belangrijk leefgebied voor allerlei soorten vissen, vogels en planten. 

‘In de redenering van de politiek schuilt onbegrip van het Markermeer als ecosysteem’

Het Markermeer is niet voor niets aangewezen als Natura 2000-gebied: het is unieke en kwetsbare natuur, en een essentiële tussenstop voor veel trekvogels die op hun route tussen Scandinavië en Afrika moeten rusten, foerageren of broeden. Nederland heeft al niet zo veel van dat soort plekken. Ook voor vissen is het essentieel dat we het natuurgebied niet verkleinen.

Het verbaast mensen soms hoeveel ruimte vissen gebruiken, maar vissen hebben een flink groot leefgebied nodig om goed te kunnen leven en zich voort te planten. Door vissen te zenderen weten we dat er in het Markermeer vissen leven die bijvoorbeeld naar de randmeren zwemmen, door de sluizen van Lelystad gaan en vervolgens pas via Enkhuizen weer terugkomen. 

Natuurmonumenten wil daarom niet redeneren in termen van compensatie met wat extra vierkante meters Marker Wadden. Marker Wadden hebben wij ook niet aangelegd onder het mom van ‘dan hebben we er weer zoveel vierkante meter natuur bij’, maar om de natuur van het Markerméér te versterken met een grotere verscheidenheid in habitatsoorten. Als er een stad komt is dat iets heel definitiefs: de effecten daarvan draai je niet terug. Ik snap heus de behoefte aan woningbouw, maar dat moet je niet in beschermd natuurgebied willen. En de natuur is niet alleen voor de natuur zelf belangrijk; de natuur is voor ons allemáál belangrijk.” 

Jan-Willem Nell, projectmanager landaanwinningen bij Haskoning
“Kijkend naar de conceptuele voorstellingen die nu op tafel liggen, met landaanwinning van een omvang die vergelijkbaar is met de Tweede Maasvlakte, zou het in téchnische zin om een prima haalbaar plan gaan, waar Nederlandse ingenieursbureaus nationaal en internationaal genoeg ervaring mee hebben. Ook qua diepte zou landaanwinning in het Markermeer goed moeten kunnen. In het beoogde gebied ligt een aantal oude zandwinputten, maar die zou je kunnen opvullen of omheen werken. 

Er zitten echter wel een aantal haken en ogen aan het concept. Zo is het de vraag waar je het zand vandaan haalt, want het wordt steeds complexer om grote zandwinputten te exploiteren gezien de druk vanuit regelgeving over de ruimtelijke inrichting. Lokale zandwinning uit het Markermeer zou het meest logisch zijn, ook wat betreft kosten, stikstof en CO2-voetafdruk, maar zandwinning in een Natura 2000-gebied ligt juridisch en ecologisch gevoelig.

Enerzijds kan zo’n zandwinput juist een milieuverbeterend effect hebben omdat het als slibinvang kan dienen, waardoor het water helderder wordt, maar de doorwerking en netto-bijdrage van zandwinputten aan ecosystemen blijven complex om aan te tonen. Mede daarom zou nader onderzocht moeten worden of je ook met andere materialen kan werken, zoals meer kleiig materiaal, waar je bijvoorbeeld een natuurgebied mee kan aanleggen, of gebieden op de landaanwinning waar zetting en inklinking minder erg is, zoals een park. 

‘Landaanwinning is een kans om voor zachte land-waterovergangen te zorgen’

Ook zou landaanwinning iets wegnemen van de komberging, wat voor de zoetwatervoorraad in tijden van droogte een issue kan worden. Dat zal je moeten compenseren door beperkte peilopzet of door deels drijvend of op palen te gaan bouwen. Wel is landaanwinning een kans om in het Markermeer voor meer zachte land-waterovergangen te zorgen; een opgave die er ook vanuit de Programmatische Aanpak Grote Wateren ligt, omdat dat type habitat daar nu nog te weinig aanwezig is.

Daar kun je landaanwinning uitstekend voor gebruiken, door flauw aflopende, natuurvriendelijke overstroombare oevers aan te leggen: een supermooi concept dat steeds vaker wordt toegepast en wat Nederland ook internationaal exporteert. Los van de juridische drempels om in Natura 2000-gebied te gaan bouwen, zul je onderaan de streep meer natuur moeten brengen dan wat je wegneemt: overcompenseren dus.” 

Bea de Buisonjé, lid van het dagelijks bestuur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
“Het Markermeer wordt gezien als een open ruimte waar je van alles kan doen. Wij, en collega-waterschappen, hebben het meer echter hard nodig om water op af te voeren en als zoetwatervoorraad. Nu al hebben we tekorten om de landbouw en natuur in ons gebied van voldoende zoetwater te voorzien. Met het oog op de groeiende watervraag en toenemende verzilting en verdamping door klimaatverandering zullen die tekorten toenemen. 

Feitelijk is alleen de bovenste 20 centimeter van het IJsselmeergebied beschikbaar als zoetwatervoorraad. Binnen het Deltaprogramma wordt onderzocht of we deze schijf zouden kunnen vergroten van 20 naar 50 centimeter na 2050, maar zelfs met 50 centimeter zullen we in droge perioden met zoetwatertekorten blijven kampen. Iedere hap die je uit deze voorraad neemt, zorgt voor verdere toename van dit probleem.

Bovendien vereist het oprekken van de beschikbare waterschijf dat dijken worden verhoogd, en/of dat sluizen en inlaten worden aangepast zodat de scheepvaart er nog door kan en zodat voldoende water kan worden ingenomen voor Friesland, Groningen en Drenthe. Dat gaat allemaal enorm veel geld kosten. Bouw je een nieuwe stad – hetzij drijvend, hetzij met landaanwinning – dan is daar nieuwe infrastructuur voor nodig, zoals een rioolwaterzuivering, bruggen en toegangswegen.

‘Je zou niet eens onderzoek moeten willen doen om dit plan te verkennen’

We hebben echter al niet eens genoeg geld voor de instandhouding van bestáánde, cruciale infrastructuur – zoals het gemaal bij IJmuiden, en de spuisluizen in de Afsluitdijk. Als we al geld tekortkomen voor deze infrastructuur – waarvan defecten ons de afgelopen jaren meermaals in nijpende situaties hebben gebracht – zie ik niet waarom er wel geld zou zijn voor dergelijke nieuwe infrastructuur. 

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de effecten op de natuur, zoals schaduwwerking door drijvende woningbouw. Deze discussie laat wederom zien hoe belangrijk het is om waterschappen en drinkwaterbedrijven van meet af aan bij dit soort ideeën te betrekken. Dan hadden we namelijk aan het begin al kunnen zeggen dat je niet eens onderzoek moet willen doen om dit plan te verkennen. Daar is geen rocket science voor nodig. Een stad in het Markermeer is echt een heel slecht idee. Doe het niet.”