secundair logo knw 1

Foto Marcel Molle

Probeer je het eens voor te stellen. Het is 2076, en we zijn 50 jaar verder in de tijd. Een Nederlandse eettafel, verlicht door een vintage iPhone 22 Pro en elektrische kaarsjes, wordt omringd door drie generaties van een ooit Amsterdams gezin. Ooit, want net zoals vele andere stedelingen, heeft de familie de laaggelegen Randstad achter zich moeten laten voor een beter beschermd gebied, wat rijker is aan zoet water.


Geschreven door Jessie-Lynn van Egmond


De volksverhuizing die hieraan voorafging was bijna een komisch tafereel geweest, ware het niet dat er pure noodzaak achter schuilging. Nederland was in een aanhoudende nationale watercrisis beland, niveau 3. Ook de grootouders van dit gezin hadden, net zoals tienduizenden andere autoloze Amsterdammers, hun elektrische miniwagentjes en fatbikes volgeladen met hun meest waardevolle spullen om de vertrouwde A10-regio te verlaten. 

“Kan je ons over vroeger vertellen?", vraagt de kleindochter, terwijl de rest van de familie hun stoelen dichterbij schuift om aan het avondeten te beginnen.

“Natuurlijk, lieve schat.”

En zo beginnen de verhalen te vloeien. Over het verziltende westen. Hoe, ondanks de vergaande maatregelen, het zoute water steeds verder via onze riviermondingen landinwaarts drong. En hoe, ondanks de vele onttrekkingsverboden, niet alleen onze telers, industrie en natuurgebieden door de zoetwaterschaarste getroffen werden, maar ook de meest essentiële voorzieningen. 

Dat we er ook het toilet mee doorspoelden, besluit ze maar voor zichzelf te houden

Oma vertelt over de kraan die, in zijn volle glorie, een onuitputtelijke stroom aan huiselijk, schoon water leverde, maar gaandeweg zijn functie verloor en enkel nog diende als decoratief antiekstuk: voor de sentimentele verzamelaar tegen een habbekrats te koop op het Waterlooplein. De douchecabine, ooit een plek waar we iedere dag in stonden, werd vooral gebruikt om plantjes of wasgoed in op te hangen.

 “Jullie douchten vroeger gewoon thuis?”, vraagt de kleindochter verbaasd.

“Soms twee keer per dag.”

“Met drinkwater?”

Oma knikt. Dat we er ook het toilet mee doorspoelden, besluit ze maar voor zichzelf te houden.

Hoe groot de campagnes namelijk ook waren geweest om het huishoudelijk gebruik terug te dringen, ze sloegen niet aan. Er kwam een nationaal rantsoen en de toegang tot leidingwater werd afgesloten. De omgebouwde badhuizen van de stad, in de jaren 2020-2030 vooral in gebruik als cafés waar de havermelk-elite haar speciaalbier dronk, namen hun oorspronkelijke functie als gemeenschappelijke badderplek weer aan. Permanente waterquota werden het nieuwe normaal, en inmiddels werd er elke Prinsjesdag niet alleen de nationale rijksbegroting maar ook de waterbegroting gepresenteerd. 

“En was het echt zo groen en sompig?”, vraagt de kleinzoon, die die ochtend op school met een VR-bril door een digitale reconstructie van het oud-Hollandse landschap had gewandeld.

“Ja”, zegt opa. “Zo groen als deze doperwt", terwijl hij theatraal met zijn lepel zwaait. 

Door de aanhoudende problematiek was onze veengrond door de decennia heen zodanig beschadigd dat het drassige polderlandschap verdwenen was. Om nog maar niet te spreken over de economische en geopolitieke gevolgen waar ons land ook mee kampte, maar dat zou een verhaal zijn voor een andere keer. 

“Wat zouden jullie doen als je terug kon gaan in de tijd?”, vraagt de kleinste met grote ogen. 

“Terug in de tijd? Ik zou naar 2026 gaan. We wisten het toen nog niet, maar we leefden in wat historici nu het staartje van ‘de blauwe eeuw’ noemen. We hadden het goed. Ik zou in het volle IJsselmeer springen, met oma door de modder en het natte gras rollen. Ik zou het nooit meer over regenachtig mot- of rotweer, maar genotweer hebben. En ik zou ook zeker een groter steentje bijdragen: om van die goede oude, blauwe tijd ook onze nieuwe tijd te maken.”


Jessie-Lynn van Egmond is water & duurzaamheidsmanager