secundair logo knw 1

De noodpomp in opbouw bij Muiderslot | Foto Marcel Molle

Nederland snakt naar water. Na maanden met weinig neerslag zakt het water op steeds meer plekken tot niveaus waarop het watersysteem begint te kraken. Noodpompen worden opgetuigd, beken vallen droog en op de grote rivieren zoeken schepen de laatste diepe geulen op.


Geschreven voor Rens Nijholt


Aan de rand van de jachthaven bij Muiden klinkt geboor vanaf een ponton. Een handvol werklieden schroeft en sleutelt enorme buizen van een noodpomp aan elkaar. Achter de werklieden steekt de rijzige gestalte van de hijskraan boven de masten van de plezierjachten uit. Binnendijks kijkt het statige, eeuwenoude Muiderslot als stille getuige mee.

“Normaal gesproken laten we hier onder vrij verval het water de boezem in lopen”, zegt watersysteembediener Eduard Wenneker van waterschap Amstel, Gooi en Vechtstreek. Hij wijst naar De Stenen Beer, onderdeel van het historische verdedigingswerk van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het kunstwerk vormt de peilscheiding tussen het IJmeer en de ’s-Gravelandsevaartboezem. Het IJmeer staat inmiddels op NAP -0,30 meter, zo’n 10 centimeter te laag om het water vanzelf naar de boezem te laten stromen.

Daarom zet het waterschap zwaar geschut in. De noodpomp kan ongeveer 6 à 7 kuub water per seconde vanuit het IJmeer naar de ’s-Gravelandsevaartboezem pompen, waarna het  uiteindelijk naar het Naardermeer en de Noordelijke Vechtplassen moet stromen. De maatregel kent inmiddels zijn eigen cyclus: met de regelmaat van een schrikkeljaar wordt de pomp opgetuigd. In 2018 stond hij hier voor het eerst, in 2022 opnieuw en deze zomer is hij weer nodig.

‘Er is geen water meer’

“De vaart willen we op NAP -0,20 meter hebben, om het water door te kunnen duwen naar ’s-Graveland”, zegt Wenneker. Het voorjaar begon volgens hem nog gunstig. Het water werd hoog opgezet en later nog een keer aangevuld om de voorraad zo lang mogelijk vast te houden. “Hier zijn de natuurgebieden het grootste belang: het Naardermeer en de noordelijke Vechtplassen. Die komen in de knel als er onvoldoende zoet water is.”

De mobiele installatie moet voorkomen dat het zover komt. Het water wordt over de bestaande peilscheiding heen gepompt. Via de Keetpoortsluis in Muiden wordt het water vervolgens verder verdeeld. Met de rinketten in de sluis stelt het waterschap handmatig af hoeveel water richting Naarden en hoeveel richting de Vecht stroomt.

De operatie is niet in een paar uur geregeld. Volgens Wenneker duurt het tien tot veertien dagen voordat de installatie na het besluit daadwerkelijk kan draaien. Dat maakt het iedere keer een gok: twee weken vooruit moet op de tast worden bepaald of de droogte aanhoudt.

“Voor hetzelfde geld neem je vandaag de beslissing, terwijl het weer over veertien dagen omslaat”, zegt hij. “Morgen gaan we draaien. Het is heel hard nodig.” Een permanente oplossing is inmiddels in voorbereiding. Honderd meter verderop moet een vast gemaal komen, zodat het waterschap niet opnieuw een mobiele pomp hoeft op te bouwen. 

Strand 't Kleine Zeetje in Spakenburg | Foto Marcel Molle

Blauwalg in Spakenburg
Op een half uur rijden is een ander gevolg van de aanhoudende warmte zichtbaar. Op het strand 't Kleine Zeetje in Spakenburg is de waterkwaliteit een probleem. In het warme water - 23,6 graden Celsius - van het Eemmeer heeft blauwalg zich kunnen ontwikkelen.

Het strand ligt er verlaten bij. De Baarnse Tinus Vogelzang sloft over het zand, zijn kleinzoon in zijn kielzog. Dat er blauwalg in het water zit, is nieuws voor hem. Hij wekt niet de indruk zich er erg druk om te maken. De hitte had de plannen voor later op de dag sowieso al omgegooid. “In de ochtend vermaken we ons nog wel buiten, maar vanmiddag wordt het te heet. Dan gaan we naar een indoor speeltuin met airco.”

Zijn oog blijft haken aan een knots van een orka die op het droge ligt. Alsof die de waarschuwing wél had meegekregen. “Daar kan mijn kleinzoon nu op spelen.” Het levert een vreemd zomers tafereel op. Het strand ligt erbij alsof ieder moment de handdoeken kunnen worden uitgerold. Maar het water, normaal de hoofdrolspeler op zo’n hete dag, blijft onaangeroerd.

‘Sommige sensoren hangen twee meter boven water’

Iets verderop, tussen Nijkerk en Putten, wordt de droogte weer schrijnend zichtbaar. Ironisch genoeg loopt langs de Waterweg de Schuitenbeek, waar geen druppel water meer doorheen sijpelt. Waar normaal water door de bedding richting het randmeer stroomt, liggen nu stenen, zand en verdroogde planten open en bloot. Een kikker baant zich in de drooggevallen vistrap een weg naar schaduw. Omringende grasvelden ogen als stro.

Bram de Jong, monsternemer voor Waterschap Vallei en Veluwe, stuurt zijn bedrijfswagen, bomvol meetapparatuur, tot vlakbij de beek. Hij werpt, zonder uit te stappen, een geoefend oog op de droge bedding en weet genoeg. “Er is geen water meer”, zegt hij gelaten, met een elleboog uit het raam. Hij hoeft zijn spullen niet eens uit te pakken.

De drooggevallen vistrap en de Schuitenbeek | Foto Marcel Molle

De Jong heeft die ochtend al meerdere meetpunten bezocht. Ook daar viel weinig te doen. Normaal behoort het nemen van waterkwaliteitsmonsters in de Schuitenbeek tot zijn vaste corvee. Op de vraag welke metingen hij vandaag wel heeft kunnen uitvoeren, antwoordt hij droogjes: “Tot nu toe niks.”

Droogte is hier niet onbekend. De Schuitenbeek is volgens De Jong al vaker drooggevallen, maar zo heeft hij het nog niet meegemaakt. “Niet zo droog, nee. Het gebied hierachter is gevoelig voor droogte. Maar dit is wel echt een grote beek. Het is nu echt wel goed droog.”

Apparatuur bungelt boven water
Verder naar het zuiden komt een ander gevolg van de lage waterstanden aan het licht. In de Lek, bij Hagestein, wordt zuinig omgesprongen met het beschikbare rivierwater. Om de verzilting in het westen tegen te gaan, worden schepen minder vaak door de sluizen gelaten. 

Ook de stuw bij Hagestein wordt gebruikt om meer zoet water richting het westen te sturen. Door de stuw iets te openen, kan extra water via de Lek worden afgevoerd. Dat zoete water helpt daar tegendruk te bieden aan het oprukkende zoute water en blijft daarmee beschikbaar voor onder meer drinkwater, landbouw en natuur.

De uitzonderlijk lage waterstanden bezorgen Ronald, die in opdracht van Rijkswaterstaat meetapparatuur in rivieren onderhoudt, de nodige uitdagingen. Verspreid over Nederland zijn er zo’n vierhonderd meetpunten. Normaal registreren die onder meer waterstanden, afvoer en temperatuur. 

Naarmate het rivierpeil verder zakt, krijgt Ronald storingen binnen. Eenmaal ter plaatse blijkt dat de temperatuursensor simpelweg boven het water bungelt. “Op sommige plekken tot ongeveer twee meter boven het water. Normaal zit deze twee meter onder water.”

Ronald laat foto's zien van meetpunten langs de rivieren. Palen die normaal in het water staan, staan droog. Bij Lobith is volgens hem de ondergrens van een reguliere meting bereikt en is een noodmeting ingericht. “Het reguliere meetpunt is nu uitgezet.”

De Waal bij Tiel | Foto Marcel Molle

Terugtrekkende Waal
Tussen de kribben bij Tiel heeft de lage Waal een onverwacht zomerbeeld achtergelaten. Waar normaal de rivier stroomt, ligt nu een uitdijende strook zand en grind. Een recreant kuiert over de drooggevallen rivierbodem en heeft een plekje gevonden op een gelegenheidsstrand. Binnenvaartschepen zoeken het diepere midden van de rivier op.

Hoe uitzonderlijk de situatie is, blijkt uit de cijfers van Rijkswaterstaat. Voor de scheepvaart spreekt Rijkswaterstaat van laagwater wanneer de stand bij Lobith onder NAP +7,33 meter komt. Bij Tiel komt dat overeen met ongeveer NAP +2,55 meter. De actuele waterstand ligt daar zo'n 1,20 meter onder. “Er is sprake van een laagterecord”, laat een woordvoerder van Rijkswaterstaat weten via de mail. “Lage waterstanden komen bijna elke zomer voor, maar meestal niet in zo’n extreme vorm.”

‘Voor de scheepvaart moet de waterstand niet meer verder dalen’

Voor de binnenvaart heeft dat directe gevolgen. De passerende schepen kunnen minder diep steken en daardoor veel minder vracht meenemen. “De scheepvaart neemt momenteel ongeveer 25 tot 40 procent van de totale laadcapaciteit mee aan lading”, aldus Rijkswaterstaat. Hoeveel een schip precies moet achterlaten, is sterk afhankelijk van het type.

Veel ruimte voor een verdere daling is er niet meer. “Voor de scheepvaart moet de waterstand niet meer verder dalen om überhaupt nog veilig te kunnen varen met enige lading aan boord”, schrijft de woordvoerder. 

Ondertussen meldt zich de fietsende goegemeente aan de kade. Een monter peloton ouderen rolt op e-bikes richting de veerstoep van de pont naar Wamel. De overkant ligt in het zicht, maar bereiken zullen ze die hier niet. De pont vaart niet vanwege het lage water. “Wat we nu gaan doen?”, herhaalt één van hen. “Het terras op.”