Na 11 jaar neemt Wim Drossaert afscheid als algemeen directeur van Dunea. Onder zijn leiding moest het drinkwaterbedrijf een antwoord vinden op bevolkingsgroei, klimaatverandering, vervuiling en dreigende tekorten. Aan de hand van 11 stellingen blikt hij terug én vooruit. “Ik vind wel dat ik op een klein hoogtepunt ga.”
Geschreven door Rens Nijholt
1. ‘We zijn er in Nederland te lang van uitgegaan dat drinkwater vanzelfsprekend is.’
“Volledig mee eens”, reageert Drossaert. Daarbij steekt hij ook de hand in eigen boezem. “Ik vind dat we daar als drinkwatersector zelf ook niet altijd het goede in hebben gedaan.”
Toen hij elf jaar geleden aantrad, speelde er een probleem met pyrazool, een stof die in de Maas werd geloosd. Drossaert vroeg de toenmalige minister om de lozing te stoppen. “De reactie was: ‘O, drinken we dan uit de Maas?’ Dat zegt natuurlijk wat over de minister, maar het zegt ook dat wij het verhaal nooit voldoende verteld hebben.”
Binnen de sector bestond destijds terughoudendheid om naar buiten te gaan, om consumenten niet onnodig ongerust te maken. Drossaert koos juist voor openheid. “Als we naar buiten gaan om ons verhaal te vertellen en het raam staat open, kunnen mensen ook naar binnen kijken. Die vinden ook wat van ons. Daar moeten we tegen kunnen. Misschien hebben ze wel gelijk en worden we er alleen maar sterker van.”
2. ‘De politiek heeft te laat gereageerd op het dreigende drinkwatertekort.’
“Zeker.” In elf jaar tijd zag Drossaert zeven ministers op het dossier. “Dat geeft aan wat de stabiliteit is geweest.”
Toch vindt hij dat drinkwaterbedrijven niet naar de politiek moeten kijken voor kant-en-klare oplossingen. “Wij weten wat we moeten doen. We kúnnen het ook doen. Ik ga niet naar de politiek om een oplossing te vragen, maar ik ga wel om steun te vragen.”
Die steun kwam laat. Een Kamerlid zei ooit tegen hem: “Ik hoor wat je zegt, Wim. Ik lees je stukken, maar ik voel het gewoon niet.” Dat antwoord is hem bijgebleven. “Als het te laat is, is het ook echt te laat. En toch gaat de politiek pas in actie als ze het voelt.”
Droge zomers helpen om die urgentie voelbaar te maken, constateert hij met enige frustratie. “Ik wist het natuurlijk tien jaar geleden al. Maar schijnbaar moet het eerst gevoeld worden voordat er iets gebeurt.”
3. ‘Zonder voldoende drinkwater zouden er simpelweg geen nieuwe woonwijken gebouwd mogen worden.’
Een paar jaar geleden weigerde Drossaert een woningbouwconvenant te ondertekenen. Het kabinet wilde 900.000 woningen bouwen, waarvan een groot aantal in Zuid-Holland. “Ik zei: ik heb nu al tekorten, dus hoe moet ik dat dan gaan doen?”
Technisch kon Dunea de groei volgens hem wel opvangen, maar daarvoor waren vergunningen en ruimte voor een nieuwe bron nodig. In de woningbouwplannen las hij daar nauwelijks iets over terug. “Het ging alleen maar over woningen, woningen, woningen. Maar niet over: kun je ze aansluiten? Wat heb je aan een woning zonder drinkwater? Ik denk weinig.”
De energiesector kampte met een vergelijkbaar capaciteitsprobleem, maar kreeg volgens Drossaert veel eerder de politieke wind mee. Dat heeft alles te maken met geopolitiek. De oorlog in Oekraïne, de wens om van Russisch gas af te komen en de afhankelijkheid van olie uit andere delen van de wereld maakten de energietransitie plotseling veel urgenter. “Je wil zelfstandig worden. Dat kan alleen maar door de verduurzaming. En het raakt iedereen in de portemonnee. De urgentie is groot. Vele malen groter dan bij water. Ten onrechte.”
‘Naar het buitenland wijzen is gewoon een reden om niets te doen’
4. ‘Nederland moet niet méér drinkwater produceren, maar minder drinkwater gaan gebruiken.’
“Niet mee eens”, zegt Drossaert direct. Water besparen is volgens hem belangrijk. Hij steunt de ambitie om het dagelijkse gebruik per persoon terug te brengen van ongeveer 120 naar 100 liter. “Maar dan nog los je daarmee het probleem niet op.”
Door de bevolkingsgroei zal Dunea hoe dan ook meer drinkwater moeten produceren. “Het is een illusie om te denken dat alleen waterbesparing het drinkwatertekort oplost. Het helpt natuurlijk wel om de vraag af te vlakken.”
5. ‘We zijn veel te goed geworden in vervuild water schoonmaken en veel te slecht in water schoonhouden.’
“Beide”, antwoordt Drossaert. Technisch kan de sector veel, maar principieel hoort vervuiling volgens hem bij de bron te worden aangepakt. “De vervuiler moet betalen en schoonmaken.”
In de praktijk gebeurt dat onvoldoende. Er zijn regels, maar de handhaving schiet tekort. “Je zegt wel: je mag niet lozen. Maar je komt niet controleren. Wat heeft het dan voor zin?”
Drinkwaterbedrijven moeten honderd procent betrouwbaar leveren en zijn daardoor alsnog gedwongen extra zuivering te bouwen. “De kosten komen dan bij de drinkwaterklant en niet bij de vervuiler. Dat vind ik een omgekeerde wereld.”
6. ‘De vervuiler betaalt nog altijd te weinig voor de vervuiling van onze drinkwaterbronnen.’
“Absoluut. De vervuiler betaalt nauwelijks.” Volgens Drossaert worden lozingsvergunningen te gemakkelijk afgegeven en te weinig herzien. Productieprocessen veranderen en er komen nieuwe stoffen bij, terwijl vergunningen vaak lang geldig blijven.
Bedrijven kunnen volgens hem meer doen om lozingen te voorkomen. “Maar het is puur en alleen een kostenafweging. Ik snap dat kosten belangrijk zijn, in alle eerlijkheid.”
Daar staat tegenover dat miljoenen mensen afhankelijk zijn van de Maas en de Rijn voor hun drinkwater. Vervuiling verspreidt zich bovendien door het hele stroomgebied. Drossaert ergert zich aan politici die vooral naar het buitenland wijzen. “Ja, daar wordt ook vervuild. Maar een vervuilende bijdrage komt ook uit Nederland zelf. Naar het buitenland wijzen is gewoon een reden om niets te doen.”
‘En toch komt de politiek pas in actie als ze het voelt’
7. ‘In een gebied met waterschaarste kan niet ieder bedrijf vanzelfsprekend op drinkwater rekenen.’
Drossaert aarzelt. “Ik vind dat iedereen die drinkwaterkwaliteit nodig heeft, dat geleverd moet kunnen krijgen. Daar is ook een wet voor: de leveringsplicht.”
Wel wil hij veel scherper kijken waarvoor drinkwater wordt gebruikt. “Als ik lees dat er een datacentrum komt waar drinkwater voor gebruikt wordt, dan denk ik: daar vind ik wel wat van. Die hebben geen drinkwaterkwaliteit nodig.”
Voor levensmiddelenbedrijven en de farmaceutische industrie ligt dat anders. “Ik zou eigenlijk een onderscheid willen maken: iedereen die drinkwaterkwaliteit nodig heeft. De rest moet het in principe anders doen.”
8. ‘De Nederlandse vergunningverlening is niet ingericht op de urgentie van de drinkwateropgave.’
“Ik ben het er volledig mee eens. Dat is de praktijk.” Dunea wint water in beschermde duingebieden en krijgt daardoor te maken met complexe natuurwetgeving. Drossaert onderschrijft het belang daarvan: Dunea is zelf een van de grootste natuurbeheerders van Nederland.
Toch schuurt de praktijk. Voor werkzaamheden moet materieel het duingebied in. “Dat is een verstoring, dat ontken ik zeker niet. Maar we doen dit al 151 jaar en we weten dat de natuur zich herstelt.”
Vergunningverleners hebben bovendien veel werk en zijn bang fouten te maken. “Daardoor wordt het soms heel erg juridisch. Juist die juridisering van de vergunningverlening vind ik echt lastig.”
9. ‘Een drinkwaterbedrijf moet vaker nee durven zeggen.’
“Ik ben zelf niet iemand die heel gauw nee zegt. Ik vind altijd dat je moet kijken naar wat wel kan. Maar er zijn wel grenzen.”
Bij een verzoek om een datacentrum aan te sluiten, zei Drossaert bijvoorbeeld nee. Ook de eigendomsstructuur van drinkwaterbedrijven speelt volgens hem een rol. Dunea heeft meerdere gemeentelijke aandeelhouders.
“Als je één aandeelhouder hebt, heeft die eigenlijk te veel invloed op je bedrijf. Als een gemeente honderd procent aandeelhouder zou zijn, wordt het heel moeilijk om nee te zeggen. Met meerdere aandeelhouders heb je die druk veel minder.”
‘De spanning zal zijn: kan de bouw leveren wat de drinkwaterbedrijven vragen?’
10. ‘De moeilijkste jaren voor Dunea moeten nog komen.’
“Oeh, dat is geen leuke bij een afscheid”, reageert hij. Toch komen er volgens Drossaert onmiskenbaar moeilijke jaren aan. De noodzaak om meer water te produceren, de waterkwaliteit te bewaken en de weerbaarheid te vergroten, komt tegelijkertijd op de sector af.
De plannen en vergunningen zijn er grotendeels. Nu volgt de uitvoering. “Bouwen, bouwen, bouwen. Daarvoor zijn veel aannemers en gespecialiseerde bedrijven nodig. De spanning zal zijn: kan de bouw leveren wat de drinkwaterbedrijven vragen? Als dat niet zo is, krijg je vertragingen en wordt het spannend.”
11. ‘Ik laat Dunea beter achter dan ik het elf jaar geleden aantrof.’
“Dan doe ik natuurlijk mijn voorgangers tekort”, zegt Drossaert. Liever zegt hij dat hij Dunea anders achterlaat. “Een directeur hoort altijd bij een fase van het bedrijf.”
Zijn fase stond in het teken van het hoofd bieden aan klimaatverandering, bevolkingsgroei en droge zomers. “Daar hebben we een heel mooi strategisch antwoord voor bedacht. We hebben de omgeving meegenomen, iedereen wakker gekregen. Iedereen staat in de coalitie om te helpen.”
De volgende directeur moet de plannen realiseren. “Ik hoop en wens mijn opvolger toe dat hij veel daadkracht heeft om te bouwen. Nadenken over wat er moet gebeuren, dat ligt er.”
Zelf vertrekt Drossaert met tevredenheid. “Ik denk wel dat ik een verhaal heb neergelegd en ook dingen heb gerealiseerd. Daar ben ik trots op. Ik vind wel dat ik op een klein hoogtepunt ga, als ik eerlijk ben. De sector is opengezet en we zijn op de kaart gezet.”
