Wat iemands gender is, is wereldwijd van invloed op diens toegang tot watervoorzieningen en medezeggenschap daarover. Daarmee samenhangend kan gender ook sterk bepalen hoe kwetsbaar iemand is voor klimaatverandering. Wil je gehoord en gezien worden in de besluitvorming over water, dan kan je in veel werelddelen beter een man zijn. Dat is de rauwe realiteit die UN-Water, de watertak van de Verenigde Naties, beschrijft in een vorige week gepubliceerd rapport.
Met name in Afrika, Arabische landen, Azië en Zuid-Amerika worden vrouwen en meisjes onevenredig getroffen door een gebrek aan toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen op scholen, werkplekken, en in zorginstellingen en huishoudens. Deze ongelijkheid kan op zijn beurt gevolg geven aan gezondheids- en veiligheidsrisico’s, verminderde economische kansen en een educatieve achterstand.
Zo leiden de afwezigheid van goede sanitaire voorzieningen op scholen, en de verantwoordelijkheid om thuis voor water te zorgen, ertoe dat meisjes in ontwikkelingslanden vaker dan jongens wegblijven van school. Ook de afhankelijkheid van gedeelde watertappunten leidt tot “urenlang in de rij staan, intimidatie van vrouwen en meisjes, en minder tijd voor leren, de zorg voor kinderen of werken”, aldus het rapport.
Het vrouwenlichaam als waterinfrastructuur
De verantwoordelijkheid om thuis voor het water te zorgen maakt bovendien dat “het vrouwenlichaam onderdeel wordt van de waterinfrastructuur, en het werk doet wat leidingen behoren te doen”, aldus de studie. De zware arbeid van het dragen van water zorgt voor fysieke slijtage, en op de route naar waterbronnen in afgelegen of onveilige gebieden lopen vrouwen risico op seksueel, verbaal en fysiek geweld, of om te vallen in het donker, of aangevallen te worden door honden en slangen. Ook kan het onvermogen om in drinkwater te voorzien gevoelens van schaamte en schuld oproepen, en huiselijk geweld en kindermishandeling verergeren.
Ook wanneer vrouwen moeten lopen om sanitaire voorzieningen te bereiken, kunnen ze risico lopen op verkrachting en seksuele en verbale intimidatie. Dit kan er volgens het rapport zelfs toe leiden dat vrouwen opzettelijk geen water drinken, zodat ze niet naar het toilet hoeven. Het ontbreken van voldoende waterpunten of toereikende sanitaire infrastructuur kan er mede aan bijdragen dat vrouwen gedwongen worden tot ‘sex for services’, zoals studies in Bangladesh, Colombia, Kenia en Zuid-Afrika hebben laten zien.
Ondervertegenwoordiging in waterbeheer
In plattelandsgebieden kunnen vrouwen in vergelijking tot mannen grotere obstakels ondervinden bij de toegang tot water voor irrigatie, veeteelt, aquacultuur en huishoudelijk gebruik. Dit beperkt zich overigens niet tot eerdergenoemde werelddelen. Zo heeft onderzoek in het Middellandse Zeegebied uitgewezen dat vrouwen bij de toekenning van subsidies voor de landbouw vaak aan het kortste eind trekken, in programma’s voor bijvoorbeeld waterbesparende irrigatie.
Ook zijn vrouwen vaak ondervertegenwoordigd in het waterbeheer. Dit geldt volgens de studie ook nog altijd voor veel Europese landen, waar vrouwen ondanks aanzienlijke vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in technische en beleidsbepalende functies in de watersector. Hierdoor wordt hun vermogen om bij te dragen ondermijnd, en blijven bepaalde feminiene eigenschappen mogelijk onbenut. Zo blijkt uit enquêtes in heel Europa dat vrouwen meer dan mannen bereid zijn om waterbesparende maatregelen te nemen; een trend die volgens het rapport gelinkt kan worden aan het hogere risicobewustzijn van vrouwen.
Vanwege de systemische ongelijkheden in de toegang tot en besluitvorming over water, is gender ook in het licht van klimaatverandering een ‘doorslaggevende factor voor de kwetsbaarheid voor rampen’, aldus het rapport.
Alles bijeengenomen concluderen de auteurs dan ook dat het aanpakken van genderongelijkheid met betrekking tot water 'essentieel is voor armoedebestrijding, het vervullen van mensenrechten, en het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen'. Want 'als het om water gaat, leidt gendergelijkheid uiteindelijk tot betere kansen voor iedereen'.
Mannelijke connotatie
Vanuit Nederland hebben onder andere Margreet Zwarteveen (hoogleraar waterbeheer), Jenniver Sehring (universitair hoofddocent waterbeheer) en Gabriela Cuadrado Quesada (universitair docent waterrecht) van het IHE Delft Institute for Water Education bijdragen geleverd aan het rapport. In een woensdag gepubliceerde reflectie op het onderwerp onderschrijft Zwarteveen, wie genderongelijkheid in de (mondiale) watersector al langer onderzoekt, dat ‘de verdeling van de voordelen, lasten en risico's van water plaatsvindt via diepgewortelde gendergerelateerde en geracialiseerde structuren en ideologieën’.
"De masculiniteit van de sector maakt het moeilijker voor vrouwen om serieus genomen te worden in gesprekken en besluitvorming over water"
Zo heeft met name ingenieurswerk volgens de hoogleraar nog altijd een uitgesproken mannelijke connotatie. “Van goede ingenieurs wordt verwacht dat ze sterk, besluitvaardig, wiskundig aangelegd en daadkrachtig zijn – allemaal eigenschappen die doorgaans meer aan mannen dan aan vrouwen worden toegeschreven”, aldus Zwarteveen. “Deze masculiniteit van de sector maakt het niet alleen moeilijker voor vrouwen en niet-ingenieurs om serieus genomen te worden in gesprekken en besluitvorming over water, maar leidt ook tot systematische onzichtbaarmaking en miskenning van het watergerelateerde werk en de expertise van vrouwen (en mensen met een andere genderidentiteit).”
Rechts populisme
Ook uit Zwarteveen haar zorgen over het oprukken van rechtse populisten die ‘fel vasthouden aan heteronormatieve, witte en masculiene vormen van privilege, door middel van steeds agressievere vormen van antifeminisme en anti-genderisme’. Als voorbeeld noemt ze de beëindiging van academisch onderzoek naar gendergelijkheid in de VS als gevolg van het presidentiële decreet ‘Defending Women from Gender Ideology Extremism and Restoring Biological Truth’.
Zwarteveen ziet het VN-rapport dan ook als aanmoediging om ‘de kritische analytische instrumenten van het feminisme te blijven omarmen, verder te ontwikkelen en te verspreiden, en om feministische vormen van wateractivisme te blijven steunen, zelfs (of misschien wel vooral) wanneer dit de status quo verstoort of ongemak oproept’.

In Nederland zijn er een aantal bedrijven die dezelfde technolgie leveren.
Waarom wordt er niet samengewerkt met Nederlandse bedrijven?