De Nederlandse Staat doet voldoende om mensen, dieren en de natuur tegen PFAS te beschermen, en kan pas sinds de jaren '10 bekend worden geacht met de grootschalige aanwezigheid van PFAS in het milieu. Die uitspraak deed de rechtbank Den Haag vanmorgen in de zaak die vijf milieuorganisaties tegen de Staat aanspanden. De rechtbank ‘ziet geen aanleiding om te oordelen dat de Staat niet tijdig maatregelen treft’. Alle vorderingen van de milieuorganisaties zijn afgewezen.
Het gaat om de zaak die in 2024 werd aangespannen door de Friese, Noord-Hollandse, Zuid-Hollandse en Zeeuwse milieufederaties en Stichting Gezond Water. Zij stelden dat de Staat, en in het bijzonder het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, onvoldoende maatregelen neemt ‘om ingezetenen en het milieu te behoeden voor de ernstige gevolgen van blootstelling aan PFAS, terwijl hij al geruime tijd bekend is met de schadelijkheid van deze stoffen’.
Hierin werden de stichtingen inhoudelijk ondersteund door emeritus hoogleraren milieuchemie en toxicologie Jacob de Boer (Vrije Universiteit Amsterdam) en Pim de Voogt (Universiteit van Amsterdam en KWR), volgens wie de Staat sinds begin deze eeuw bekend is of bekend had kunnen en moeten zijn met de aanwezigheid van PFAS in het Nederlandse milieu. Ook had de Staat volgens hen bij het afgeven van lozingsvergunningen voor PFAS-houdend afvalwater de afgelopen 40 jaar meer kennis over de eigenschappen van PFAS kunnen en moeten hebben.
Daar sluit de rechtbank zich niet bij aan. De Staat zou pas in de loop van de jaren ‘10 van deze eeuw bekend kunnen zijn geraakt met de grootschalige aanwezigheid van PFAS in brede zin. Tot die tijd lag de focus met name op specifieke, rondom Chemours verspreidde PFAS-soorten. ‘De schadelijkheid van (andere soorten) PFAS werd met name duidelijk door de opinie van de EFSA van 17 september 2020 en het rapport dat het RIVM naar aanleiding daarvan in 2023 heeft uitgebracht’, stelt de uitspraak.
Ook is de rechter van oordeel dat de regering en het parlement een grote mate van vrijheid hebben om afwegingen te maken over de aanpak van PFAS. ‘Die afwegingen zijn complex: het treffen van mogelijke maatregelen raakt aan allerlei maatschappelijke belangen, zoals het belang van woningbouw, afvalverwerking en drinkwaterproductie’, aldus de rechtbank. En 'het is niet aan de rechter om keuzes hierin voor te schrijven'. Wel is er beoordeeld of de regering en het parlement binnen de grenzen van het recht zijn gebleven.
KRW
Over alle eisen van de milieuorganisaties is de rechter van oordeel dat zij onvoldoende onderbouwd hebben op welke onderdelen het landelijk PFAS-beleid tekortschiet.
Zo betrof een deel van de aanklacht de oppervlaktewaternormen voor perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) die zijn vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water (KRW). Volgens de milieuorganisaties moeten KRW-waterlichamen uiterlijk op 22 december 2027 aan deze normen voldoen, en is het uitgesloten dat dit gaat lukken. De Staat daarentegen stelt dat voor deze deadline om uitstel verzocht kan worden, en dat Nederland aan alle voorwaarden daarvoor voldoet. Volgens de rechter hebben de milieuorganisaties dit onvoldoende gemotiveerd weersproken, waardoor niet met zekerheid kan worden gezegd dat er sprake is van een dreigende schending van een rechtsplicht.
Volgens de rechtbank hebben de milieuorganisaties er weliswaar ‘terecht op gewezen’ dat de Staat naar verwachting niet binnen twee jaar aan deze PFOS-normen kan voldoen, maar ‘geen antwoord [gegeven] op de vraag wanneer die resultaatsverplichting moet worden behaald’. Ook zou onvoldoende toegelicht zijn waarom stroomgebiedsbeheersplannen tekortschieten, en wat er van de Staat gevergd had mogen worden om concentraties PFOS in oppervlaktewaterlichamen te reduceren.
Lozingen
‘Voor zover er op dit moment nog lozingen met PFOS plaatsvinden’, zijn die volgens de Staat beperkt tot lozingen uit historische bronnen, bijvoorbeeld wanneer grondwater wordt opgepompt. De milieuorganisaties zouden volgens de rechtbank ‘onvoldoende concreet gemaakt [hebben] welke lozingen van PFOS volgens hen nog plaatsvinden, en waarom die lozingen het verbeteren van het oppervlaktewater in de weg staan’. Ook vindt de rechter dat zij er ‘aan voorbij [gaan] dat PFOS reeds sinds 2008 in de meeste toepassingen verboden is’.
Ook hadden de organisaties gesteld dat de Staat niets doet met de uitkomsten van onderzoeken van het RIVM naar de humane blootstelling aan PFAS. Wanneer het RIVM op basis van zulke onderzoeken advieswaarden vaststelt, zouden die volgens de eisers moeten worden omgezet in wettelijke normen, omdat ze anders niet gebruikt zouden kunnen worden bij de verlening en wijziging van vergunningen. Die redenatie volgt de rechtbank niet. Immers betekent het feit dat advieswaarden van het RIVM geen wettelijke status hebben niet dat ze niet kunnen worden gebruikt bij het verlenen, wijzigen of weigeren van vergunningen.
Bestrijdingsmiddelen
Ook hadden de eisers gesteld dat PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen tot grote gevolgen voor water en bodem leiden. Daartegen had de Staat aangevoerd dat deze middelen ‘alleen op de markt mogen worden gebracht wanneer (..) is aangetoond dat deze veilig kunnen worden toegepast’, en dat toegelaten bestrijdingsmiddelen ‘minimaal iedere 15 jaar opnieuw [worden] beoordeeld’. Volgens de Staat wordt ‘een stof [die] niet meer aan de dan geldende eisen voldoet (..) niet langer goedgekeurd’, en worden toelatingen ‘ook gewijzigd of herzien als tussentijds blijkt dat deze niet voldoet aan de eisen voor toelating’. Ook vormt ‘geen vermijdbaar gebruik’ van bestrijdingsmiddelen volgens de Staat het ‘uitgangspunt van het beleid’. De rechter concludeert dat de milieuorganisaties niet onderbouwd hebben dat de Staat verdergaande maatregelen zou moeten treffen.
Met de kennis van nu
Ook alle andere vorderingen zijn afgewezen. Al met al vindt de rechtbank het landelijk PFAS-beleid ‘met de kennis van nu’ toereikend. Na afweging van alle relevante maatschappelijke belangen heeft de Staat er volgens de rechter voor gekozen zich te richten op preventie, bijvoorbeeld door zich in te zetten voor een Europees verbod op het gebruik van ‘vrijwel alle PFAS’.
“Je broekt zakt ervan af”, zegt Egbert Lobée van Stichting Gezond Water tegen de Provinciale Zeeuwse Courant. Hij noemt de uitspraak ‘niet geheel onverwacht’, maar wel ‘schrikbarend’. “Deze rechtspraak komt voor mijn gevoel van een andere planeet”, aldus Lobée. “De overheid hoeft niets te doen aan de historische verontreiniging, het inventariseren van PFAS-lozingen, het aanpassen van vergunningen, noem maar op. Blijkbaar doet de Staat alles goed. Ik heb daar een ander idee over.”
LEES OOK
H2O Actueel: Rechtszaak tegen de Staat van start: milieufederaties eisen dat nieuwe PFAS-emissies stoppen
