Met de aanleg van vispassages bij stuwen en gemalen is een groot aantal rivieren, beken en boezemwateren weer bereikbaar gemaakt voor trekvissen. Maar elfhonderd knelpunten (40 procent van het totaal) ontberen nog zo’n voorziening. Vooral polderwateren zijn daardoor onbereikbaar.

Dat blijkt uit een onderzoek van het Compendium voor de Leefomgeving (CLO), dat zich baseert op gegevens van onder andere Rijkswaterstaat en de waterschappen.

Voor veel vissoorten is de migratie tussen verschillende wateren belangrijk voor de verschillende stadia in hun leven, schrijven de onderzoekers. Zo zijn er trekvissen die van de zee naar kleine beken trekken, maar ook die tussen grote en kleine rivieren of tussen polder- en boezemwater migreren. Obstakels als stuwen, gemalen en waterkrachtinstallaties bemoeilijken die trektocht.

Verbetering van de vismigratie is een randvoorwaarde om uiterlijk in 2027 de ecologische doelen van de Kaderrichtlijn Water te halen. Jaarlijks worden nu ongeveer honderd vispassages aangelegd, berekenden de onderzoekers.

In de regionale wateren telden zij er inmiddels zestienhonderd, bij circa 60 procent van het totale aantal knelpunten. Bij elfhonderd knelpunten, 40 procent dus, is er nog geen voorziening.

Vismigratierivier
De grote rivieren en een deel van de beken zijn volgens de onderzoekers bereikbaar via het IJsselmeer, de Nieuwe Waterweg, de Eems en de Westerschelde. Met aangepast schut- en spuisluisbeheer en een vispassage bij Den Oever is nu al 'enige migratie' via de Afsluitdijk mogelijk. In 2024, als de vismigratierivier gereed is, moet een groot deel van de Nederlandse wateren bereikbaar zijn voor soorten die vanaf zee migreren.

Het Kierbesluit voor het Haringvliet maakt sinds 2019 vismigratie beperkt mogelijk tussen de Noordzee en het Rijn-Maasstroomgebied. De Rijn en de Maas zijn in principe bereikbaar dankzij vispassages bij de grote stuwen. Daarbij plaatsen de onderzoekers wel een kanttekening: jonge zalm en paling, die stroomopwaarts met de hoofstroom mee gaan, overleven de stuwen en gemalen vaak niet.

Polderwateren
In de polders in het lage deel van Nederland, waar het water wordt uitgemalen naar de boezemwateren, is nog het nodige werk te doen. De boezemwateren zijn vaak wel bereikbaar, veel polderwateren (sloten, meren) niet. Voor soorten als de paling, de driedoornige stekelbaars en spiering zijn die wel van belang. 

Voor het reageren op onze artikelen hebben we enkele richtlijnen. Klik hier om deze te bekijken.

Het kan soms even duren voor je reactie online komt. We controleren ze namelijk eerst even.

Typ uw reactie hier...
Cancel
You are a guest ( Sign Up ? )
or post as a guest
Loading comment... The comment will be refreshed after 00:00.
  • This commment is unpublished.
    Tim Vriese · 2 months ago
    Er wordt hier het nodige door elkaar gehaald. Jonge zalm migreert stroomafwaarts naar zee en hebben daarbij voornamelijk last van waterkrachtcentrales en niet van gemalen en maar in heel beperkte mate van stuwen (daar kunnen ze met het water overheen). Jonge paling migreert wel stroomopwaarts, in de eerste instantie als glasaal en later als gepigmenteerde juveniele aal. Maar stroomopwaarts migreren met de stroom mee? Dat is heel bijzonder. Schieraal migreert stroomafwaarts met de stroming mee, hoewel dat slechts een deel van de populatie betreft. Een deel van de schieraal migreert aanzienlijk langzamer dan de stroming en onderbreekt zelfs haar migratie voor langere perioden.