Vaker droge lentes en zomers, meer extreme hoosbuien in de zomer en mogelijk een 1,2 meter hogere zeespiegel rond 2100. Dat toekomstperspectief schetst het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut in het Klimaatsignaal’21. Met deze publicatie wordt de urgentie van de zich snel voltrekkende klimaatverandering duidelijk, stelt het KNMI.

Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) signaleert in het in augustus verschenen eerste deel van het zesde Assessment Report dat de klimaatverandering wereldwijd steeds sterker wordt en de mens daarop onmiskenbaar invloed heeft. Wat de gevolgen voor Nederland zijn, heeft het KNMI uitgezocht. Het gaat om een tussentijdse stand van zaken die is gebaseerd op de kennis die in het IPCC-rapport is samengebracht, aangevuld met eigen waarnemingen en onderzoek.

In 2023 komt het KNMI met nieuwe klimaatscenario’s waarin alle cijfers over de veranderingen staan. Het is echter belangrijk om nu al met een update op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten te komen, vertelt hoofddirecteur Gerard van der Steenhoven maandag tijdens de presentatie van het Klimaatsignaal’21. “De klimaatverandering is overal. We merken er heel veel van.” De basisboodschap blijft volgens hem hetzelfde. “De snelheid van de klimaatverandering neemt toe en we moeten maatregelen nemen.”

Grens zeespiegelstijging naar boven bijgesteld
Een zeker voor ons land belangrijk onderwerp is de zeespiegelstijging. Die zal zich wereldwijd de komende honderden jaren onvermijdelijk doorzetten, aldus het KNMI. Het instituut heeft de prognose voor de zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust naar boven bijgesteld ten opzichte van een berekening uit 2014.

Werd toen uitgegaan van een grens van 1 meter rond 2100, nu is dat 1,2 meter geworden. Het betreft de stijging ten opzichte van het niveau van begin deze eeuw, op basis van het hoogste emissiescenario SSP5-8.5 waarbij de uitstoot van broeikasgassen onverminderd doorgaat. Rond 2300 zou de zeespiegel dan zelfs 17 meter hoger kunnen zijn. Een flink onzekere factor is het smelten van de Antarctische ijskap. Als dat versnelt, kan rond 2100 al de grens van 2 meter in zicht komen.

Lukt het om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, dan zal volgens het KNMI de zeespiegelstijging minder hard gaan. Zo is bij het scenario SSP2-4.5 sprake van een bandbreedte van 39 tot 94 centimeter (zie tabel Indicatieve zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust). Dan moeten wel mondiaal de nodige maatregelen worden genomen om broeikasgassen terug te dringen.

Zeespiegelstijging KNMI rapportTabel: Indicatieve zeespiegelscenario’s voor de Nederlandse kust onder verschillende emissiescenario’s, rond 2050 (2046-2055) en rond 2100 (2096-2105), ten opzichte van 1995-2014, met zeer waarschijnlijke bandbreedte (90%). Hierbij is de bodemdaling inbegrepen. (Bron: KNMI Klimaatsignaal’21)

Diverse andere klimaatrisico’s

Nederland krijgt ook te maken met diverse andere klimaatrisico’s (zie infographic over Klimaatsignaal’21). Er zullen vaker neerslagextremen zijn, vooral door de toename van de absolute hoeveelheid vocht in de atmosfeer. Zomerse hoosbuien worden extremer. Daarbij kunnen meer valwinden ontstaan.

Wat betreft droogte: de kans op droge lentes en zomers is groter geworden. In het binnenland komt dat door de klimaatverandering. Het KNMI merkt op dat het Nederlandse klimaat steeds meer verschuift richting het klimaat van Zuid-Europa. Langdurige hitte kan dan ook steeds meer een probleem worden. Verder wordt het nog warmer in steden. Iets anders: in de zomer neemt de kans op laagwater in rivieren toe en in de winter juist op hoogwater.

Infographic KNMI Klimaatsignaal

 


REACTIES

Het eerste exemplaar van Klimaatsignaal’21 werd afgelopen maandag overhandigd aan staatssecretaris Steven van Weyenberg van Infrastructuur en Waterstaat. Het is volgens hem geen vrolijk maar wel noodzakelijk leesvoer. “Ook als we heel actief het akkoord van Parijs uitvoeren, gaat de opwarming van de aarde door. Het is in die zin echt code rood.” Het is belangrijk om te voorkomen dat de klimaatverandering verder uit de hand loopt, zegt Van Weyenberg. “Hier ligt een grote opdracht voor ons allen.”

Deltacommissaris Peter Glas ziet in het Klimaatsignaal’21 de bevestiging dat het voor de Nederlandse delta cruciaal is dat de CO2-emissies mondiaal omlaaggaan. Ook is het essentieel dat binnen het Deltaprogramma extra tempo wordt gemaakt met de maatregelen om in 2050 weerbaar te zijn tegen overstromingen, zoetwatertekorten en extreem weer. Volgens Glas laten de zeespiegelscenario’s van het KNMI zien dat eind deze eeuw meer ingrijpende keuzes voor het waterbeheer en ruimtelijke inrichting nodig kunnen zijn. “Deze nieuwste wetenschappelijke inzichten vergroten de urgentie om de voorbereiding op deze keuzes nu al ter hand te nemen.”

Voorzitter Rogier van der Sande van de Unie van Waterschappen vindt dat het nieuwe kabinet een topprioriteit moet maken van de aanpassing aan extreem weer en de anticipatie op de zeespiegelstijging. Iedereen moet vol aan de bak bij het klimaatbestendig maken van Nederland, merkt hij op. “De tijd dat we water, land en bodem naar onze hand konden zetten, is voorbij.” De Unie van Waterschappen pleit voor het stimuleren van de aanleg van klimaatbuffers, de oprichting van een nationaal programma voor bodemdaling en het meegroeien van het Deltafonds met de opgaven van de waterbeheerders. Ook moet water sturend zijn bij de ruimtelijke inrichting.

Welke problemen kunnen ontstaan als de zeespiegel tot wel 1,2 meter rond 2100 stijgt? Die vraag legde de Volkskrant voor aan Jeroen Aerts, hoogleraar water en klimaatrisico aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij noemt er vier: zout water zal in toenemende mate de polder instromen, de Waddenzee kan verdrinken, het water van het IJsselmeer kan niet meer vanzelf bij eb de zee instromen en de stormvloedkeringen zijn niet berekend op de zeespiegelstijging. Met maatregelen als zand opspuiten voor de kust en ophogen van dijken is nog best een eind te komen, zegt Aerts in het interview. “Maar er is een limiet. Bij een zeespiegelstijging van anderhalve meter moeten we aan vergaande oplossingen denken.”

Er zijn ook kritische geluiden te horen. Het gaat vooral over wat als een alarmistische toon wordt gezien. Zo laat fysisch geograaf en klimaatblogger Rob de Vos in de Telegraaf weten dat hij het oneens is met het gebruik van het hoogste emissiescenario bij het voorspellen van de zeespiegelstijging. Deze keuze noemt hij “uiterst merkwaardig”.

 

MEER INFORMATIE
Rapport Klimaatsignaal'21
Toelichting door KNMI
Reactie deltacommissaris
Reactie Unie van Waterschappen

H2O Actueel: ‘Klimaatverandering maar net begonnen’
H2O Actueel: Rapport VN-klimaatpanel IPCC

Voor het reageren op onze artikelen hebben we enkele richtlijnen. Klik hier om deze te bekijken.

Het kan soms even duren voor je reactie online komt. We controleren ze namelijk eerst even.

Typ uw reactie hier...
Cancel
You are a guest ( Sign Up ? )
or post as a guest
Loading comment... The comment will be refreshed after 00:00.

Interessant artikel? Laat uw reactie achter.

(advertentie)

Laatste reacties op onze artikelen

Het belangrijkste staat onderaan: toestaan van kunstmestvervangers op basis van dierlijke mest. De milieu-impact kan nauwelijks worden overschat: er is minder kunstmest nodig (veel energie nodig, dus veel CO2) en via de erts komen er sporen van giftige zware metalen mee in de bodem. En er ontstaat een toepassing voor eindproducten van mestverwerking. Zo kun je regionaal de kringloop beter sluiten.
Er moet veel gebeuren, niet alleen grenzen markeren, maar actief het waterbeheer in het buitengebied naar de nieuwe inzichten herstellen. Daarbij moet ieder waterschap ruimte vrijhouden om initatieven vanuit het veld actief op te pakken en niet in een stilzwijgende welwillendheid laten sneuvelen.
Waarom niet een waterfabriek bouwen van zout naar zoet, zo een als in Israël gr marco
Weten waterschappen wel waar hun grenzen zijn?
De legger is het kroonjuweel van het waterschap. Zoals een gemeente de bebouwde kom markeert met een bord, zo staan de waterschapsgrenzen beschreven in de legger. Dit is niet een eenvoudige grens met het buur-waterschap, maar een complex stelsel van waterstaatswerken met de bijbehodende invloedszoneringen. Alleen binnen die zoneringen heeft het (klassieke) waterschap zeggenschap (klassiek: gericht op waterbeheer (watergangen) en waterveiligheid (dijken) ex waterzuivering).
Alles begint en houdt op bij de invloedszones - de grenzen - van het waterschap. En laat het nou toch heel eenvoudig zijn die grenzen kleiner te maken (dus de invloedszones in nieuwe leggers te verkleinen) maar zo goed als onmogelijk om deze weer groter te maken. Het ene is n weggevertje en het andere is landje pik - dus betalen.
Dus voor een strategische herorientatie van de waterschappen is een strategische herwaardering van het kroonjuweel - de waterschapslegger en het gehele bijbehorende invloeds-spel van essentieel belang.
De waterschappen zijn de afgelopen jaren ver in de marge gedrukt want invloedszones met gemeenten, het rijk en andere belanghebbenden zijn aan het verschuiven. (En waar is de wet PUBERR gebleven?)
Dus eerst herwaarderen van waterschapsgrenzen, dan weten waar de grenzen zijn en vervolgens deze met een (dijk)leger gaan verdedigen ! ;-)
https://sjfsupport.com/mmi.html
Zijn waterschappen nog wel van deze tijd?
Interessant artikel van Stephan Kuks over de toekomst van de waterschappen. Zelf vraag ik mij af of de waterschappen wel in staat zijn om antwoord te geven op de grote maatschappelijke vragen, die ook hij noemt. Hij zegt: "Nu wordt het tijd dat waterschappen duidelijk maken dat er vanuit water en bodem grenzen zijn, en dat de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van Nederland hierop moeten worden aangepast.” Dat lijkt op het oog een logische uitspraak, maar de grote vraag is of het huidige waterschap deze vraag wel inhoud kan geven. En niet vanwege dat het waterschap niet deskundig zou zijn, maar meer vanwege de samenstelling van het bestuur en dat het mandaat op de genoemde onderwerpen zeer beperkt is.
En natuurlijk, prachtig als Kuks vindt dat de waterschappen duidelijk stelling moeten nemen in het maatschappelijk debat over de toekomst van ons land, maar welke stelling dan? Het belang van de boeren? Het belang van de natuur? Het belang van woningbouw? Deze discussie hoort in eerste instantie thuis op het allerhoogste politieke niveau. Daar heeft men het de afgelopen decennia lelijk laten liggen, maar dat betekent niet dat nu het waterschap aan bod is. En natuurlijk voor het waterbeheer zijn de waterschappen de ogen en de oren van de samenleving. De waterschappen zijn bij uitstek degenen die van onderop knelpunten en ideeën kunnen aandragen om het beleid op provinciaal en nationaal niveau effectief vorm te geven. Maar ik moet er niet aan denken dat de waterschappen dat in die breedheid zelf zouden moeten gaan oppakken.
En om dan ook maar tegelijk tegen een heilig huis aan te schoppen, we zouden ons zelfs kunnen afvragen of waterschappen en het functioneren ervan nog wel van deze tijd is. Zeker als het gaat om ruimtelijke ordening en klimaat heeften provinciaal bestuur veel meer mandaat en dus veel meer slagkracht. Wat mij betreft zou het waterbeheer zo overgeheveld kunnen worden naar de provincie en zouden waterschappen omgevormd kunnen worden tot uitvoeringsorganisaties die het dagelijks waterbeheer doen. De RWZI’s zouden nutsbedrijf kunnen worden. Zeker zij zouden daarmee grote stappen kunnen maken in de efficiency van de waterzuivering.
Wat bedoel ik daarmee? In de afgelopen 10 tot 20 jaar zijn de RWZI ’s zich steeds meer gaan toeleggen op terugwinning van grondstoffen(fosfaat, cellulose, biogas, etc). Maar een grote doorbaak met substantieel resultaat heb ik tot nu toe niet echt gezien, misschien met uitzondering van een aantal initiatieven, zoals Waterstromen. Het succes van een goede afzet van reststromen wordt bepaald door kwantiteit en kwaliteit.
Eind vorige eeuw werd in de autobranche de organisatie Autorecycling Nederland opgericht. Ik was daarbij betrokken. Doel was om een hoger hergebruik te realiseren bij demontage van auto’s. Voor het ophalen een paar rubber strips per bedrijf was namelijk nooit veel belangstelling vanwege de geringe baten. Maar als je als verwerkingsbedrijf bij alle autodemontagebedrijven rubber kan ophalen, wordt het ineens interessant. Ook voor het autodemontage bedrijf, sommig restafval kreeg ineens een positieve geldwaarde.
Dat kan ook zomaar voor de RWZI’s gelden. Als ze met z’n allen gaan samenwerken en op landelijk niveau collectief contracten gaan afsluiten met afnemers dan kan dat voor beide partijen interessant worden. Bijvoorbeeld voor struviet. Zeker nu de totale gevolgen van kunstmest steeds meer onder het vergrootglas komen, zou struviet een geweldige vervanger kunnen zijn.
En een centrale organisatie, zoals ARN bij de autosector heeft nog meer voordelen. Je kunt een veel directere samenwerking met partijen als Wetsus en KWR tot stand brengen, waarbij uit een deel van de opbrengsten van de restproducten onderzoek gefinancierd kan worden om nog effectiever en efficiënter te worden met de terugwinning. Je zou dan ook kunnen kijken in hoeverre je samenwerkingen zou kunnen aangaan met bedrijven, die nu hun afvalwater moeten voorzuiveren. Bij Waterstromen werd zo’n samenwerking al tot stand gebracht met een voedselproducent en een leerlooier.
En als het echt succesvol zou worden, zou het zelfs kunnen leiden tot lagere belastingen(verontreinigingsheffing). Wat mij betreft is er wel één belangrijke voorwaarde aan verbonden, namelijk dat het zuiveren van communaal afvalwater altijd een publieke aangelegenheid blijft.

Zelf reageren? Dat kan onder alle artikelen met een Mijn H2O/KNW account.

Aanmelden voor H2O Nieuws
Ontvang twee keer per week het laatste waternieuws in je mailbox!