h2ologoprimair


knw uitgever h2o

Vakartikelen

'Suspect screening' voor datagestuurde prioritering van stoffen in (bronnen van) drinkwater

Het is onmogelijk om van alle stoffen die in de waterketen voorkomen concentraties en effecten te bepalen. Het prioriteren (selecteren) van stoffen die risicovol zijn voor de watervoorziening is daarom nodig. Hier prioriteren we drinkwaterrelevante stoffen met een innovatieve methode. We gebruikten ruim 150 monsters uit rwzi-effluent, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater en keken of ruim 5000 op de Europese markt verhandelde stoffen erin voorkomen. In totaal prioriteerden we zo 243 stoffen. Deze methode brengt stoffen voor het voetlicht die op andere manieren niet worden opgemerkt, en is daarmee een waardevolle aanvulling op conventionele prioriteringstechnieken.

Aanpassing van KRW-doelen voor waterlichamen bij Hollands Noorderkwartier

In het beheergebied van Hollands Noorderkwartier is de totale belasting en de achtergrondbelasting door de nutriënten fosfor en stikstof onderzocht in 42 waterlichamen. De achtergrondbelasting met stikstof blijkt nergens het halen van de KRW-doelstellingen in de weg te staan. Voor fosfor daarentegen is dit in de helft van de onderzochte waterlichamen wel het geval. Voor deze waterlichamen zijn de KRW-doelen voor fosfor aangepast en daarmee tevens de doelen voor de bijbehorende ecologie. Het Stappenplan nutriënten van Rijn-West is hierbij leidend geweest.

Aantoonbare optimalisaties op rwzi’s door toepassing van flotatietechniek (DAF)

Dissolved Air Flotation (DAF) wordt toegepast om vergaand zwevende stof uit afvalwater te verwijderen. DAF kan op rioolwaterzuiveringsinstallaties worden gebruikt ter vervanging van de voorbezinktank (VBT). Demonstratieonderzoek toont aan dat DAF hogere verwijderingsrendementen kan behalen dan een VBT. Het is mogelijk om de verwijderingsrendementen voor zwevende stof, CZV en fosfaat te sturen, waarbij rekening gehouden moet worden met de BZV/N-verhouding en beschikbaar fosfaat in de hoofdzuivering. Het drogestofgehalte van het afgescheiden flotaat is hoger dan van conventionele VBT’s en DAF heeft een kleinere voetafdruk dan een VBT. Onderzoek heeft uitgewezen dat DAF een robuuste techniek is met een beperkte tijdsinvestering.

Aanwonenden en de herinrichting van ‘hun’ Regge

In dit artikel nemen we u mee op een reis langs de Regge door het dorp Goor. Op deze reis willen we u deelgenoot maken van het proces dat de herinrichting van de Regge door Goor tot een succes heeft gemaakt. We vertellen dit verhaal vanuit het perspectief van een bewoner in Goor die eerst naast de Regge woont en nu met de Regge leeft. Het project is een samenwerking tussen gemeente en waterschap – waarbij provincie Overijssel een belangrijke medefinancier is. Met het herinrichten van de Regge door Goor wordt naast het realiseren van de KRW-ambitie vooral een beleefbare Regge nagestreefd.

Aardappelverwerker Rixona loost voortaan direct op oppervlaktewater


De zuiveringsinstallatie
In 1971 bouwde Rixona Venray zijn eerste waterzuiveringsinstallatie. Uitbreiding volgde in 1975 en in 1995. De huidige zuivering bestaat uit een carroussel van 5.400 m3 met een aerobe selector en drie nabezinktanks. Na het trommelzeven (grove deeltjes) en voorbezinking (zetmeel), wordt het water aeroob gezuiverd.
De vuillast na voorbezinking bedraagt ruwweg 6.000 kg CZV (Chemisch Zuurstof Verbruik) per dag. Het water wordt gezuiverd van ongeveer 1.500 mg/l CZV naar effluentwaarden van gemiddeld 25 mg/l CZV en 2,0 mg/l Kj-N. Daarmee is het gemiddeld schoner dan het effluent van de rwzi waar Rixona tot voor kort op loosde. Hoewel de angel natuurlijk zit in het woord ‘gemiddeld’, was er alle aanleiding om te denken aan directe lozing op het oppervlaktewater.
Daar komt bij dat er in de omgeving van Venray ’s zomers een groot neerslagtekort is. De Oostrumsche beek heeft in de zomer behoefte aan meer (schoon) water. Dat water kan via het slotenstelsel aangevoerd worden uit de Maas of eventueel van een rwzi. Ook de lozing door een lokaal aardappelbedrijf is dan een optie.
Al met al lijkt directe lozing op het oppervlaktewater duurzamer dan lozen via het rioleringsstelsel en de rwzi.

Lozing op oppervlaktewater met natuurfunctie
Rixona onttrekt jaarlijks ongeveer 800.000 m3 grondwater. Sinds oktober 2012 loost het bedrijf het gebruikte water na zuivering op het oppervlaktewater in de omgeving, en wel – via een gemeentelijke watergang - op de Oostrumsche beek. Voor deze beek gelden bijzondere kwaliteitseisen vanwege de natuurfunctie. Met het Waterschap Peel en Maasvallei is daarom intenief overlegd over de aan de lozing te stellen eisen en de technologische zuiveringsmogelijkheden. De overeengekomen normen voor de zomerperiode zijn: totaal-N = 4,0 mg/l en totaal-P = 0,4 mg/l.
Verdere zuivering van het effluent was wenselijk. De zuiveringsinstallatie heeft daarom twee extra zandfilters gekregen (met FeClSO4 en azijnzuurdosering) om rest-zwevende-stof, rest-PO4-P en rest NO3-N te verwijderen. De dosering van hulpstoffen wordt ingesteld op de behoefte. De installatie wordt zodanig ingericht dat zowel direct vanuit de nabezinktanks als via de zandfilters op het oppervlaktewater geloosd kan worden.
Bijzonder is dat ook lozing op de riolering – indirecte lozing – mogelijk blijft. Dit wordt gestuurd via het zwevende-stof-gehalte van het effluent. Lozing op het riool wordt gemeld aan de bevoegde gezagen (waterschap en gemeente).

Abiotische en biotische effecten van vertroebeling in het Julianakanaal

Het Grensmaasproject, ontwikkeld na de hoogwaters van 93/95 in de Maas, heeft tot doel het verhogen van de veiligheid en de ontwikkeling van nieuwe natuur en vindt plaats in combinatie met ontgrinding. Sinds 2008 wordt het vrijgekomen grind verwerkt in een haven van het Julianakanaal nabij Itteren. Het toutvenant wordt in de verwerkingshaven gewassen en het retourwater gaat via bezinkbassins en de verwerkingshaven terug naar het Julianakanaal. Hierdoor stroomt er met enige regelmaat troebel water het Julianakanaal in. Tot op heden is het niet bekend wat de gevolgen van een dergelijke vertroebeling zijn op de flora en fauna in het kanaal en in de Maas. In de nabije toekomst zullen er in het Julianakanaal meerdere werkzaamheden gaan plaatsvinden welke wellicht bijdragen aan extra vertroebeling. Voor o.a. de Kaderrichtlijn Water (KRW) is het van belang om te weten of er mogelijk cumulatieve vertroebeling ontstaat en wat de effecten hiervan zijn op flora en fauna.

Actualisatie legger Rijnland

Na de dijkdoorbraak in 2003 bij Wilnis gingen de dijken in het hoogheemraadschap van Rijnland ‘op slot’. Ruime contouren werden rond de dijk getrokken, die de stabiliteit moesten borgen. De afgelopen tijd is hard gewerkt aan het actualiseren van de leggers voor 1200 km regionale waterkering. Wat dit project uniek maakt zijn de intensieve samenwerking tussen Rijnland, Royal HaskoningDHV en Deltares, de visualisaties met Geografische Informatie Systemen (GIS), de enorme hoeveelheid data, de geautomatiseerde berekeningen met de Dijk Analyse Module (DAM) en de relatief korte tijdsspanne waarin de legger is gemaakt.

Actualisatie REFLECT: herbeoordeling risico’s landgebruik voor grondwaterkwaliteit

REFLECT is rond 1998 ontwikkeld om risico’s van landgebruik voor het grondwater te beoordelen. Het instrument geeft kwalitatieve risico-scores voor elk type landgebruik. Inmiddels wordt REFLECT behalve in het ruimtelijke-ordeningsbeleid ook gebruikt in de gebiedsdossiers, die de risico’s door het huidige landgebruik voor drinkwaterwinningen in beeld brengen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het brede gebruik van REFLECT en de verandering in het landgebruik over de afgelopen 20 jaar zijn aanleiding de risico’s opnieuw te beoordelen. Dit artikel beschrijft de actualisatie van REFLECT en bediscussieert de verschillen met de scores uit 1998.

Adaptatie aan klimaatverandering: de regulering van ontziltingsinstallaties ten behoeve van de zoetwatervoorziening

1. Klimaatadaptatie
In de klimaatscenario’s wordt geschetst dat de kans op waterschaarste verzilting steeds verder zal toenemen.Dit dwingt Nederland om over te gaan tot actie om de drinkwatervoorziening in de delta veilig te stellen. Ontziltingsinstallaties zouden hierbij een rol kunnen spelen. Ontzilting van brak grondwater heeft als belangrijke voordelen dat het de zoetwatervoorraad vergroot en niet leidt tot verdroging. Het bouwen van ontziltingsinstallaties komt echter als oplossing niet voor in het advies van de Commissie Veerman.

Deze commissie beveelt aan om het water voor West-Nederland aan te voeren vanuit het IJsselmeer en in het westen op te slaan in diepe polders. De haalbaarheid van deze oplossing hangt echter nauw samen met de haalbaarheid van de controversiële peilstijging van het IJsselmeer met anderhalve meter.

 

 

Het Deltaprogramma Deelprogramma Zoet Water bereidt de in 2014 te nemen Deltabeslissing over een duurzame zoetwatervoorziening voor.Dit deelprogramma heeft als uitgangspunten gekozen voor grotere regionale zelfvoorzienendheid en optimalisatie van de verdeling van zoet water. Voor de korte termijn betreft het maatregelen gericht op vasthouden van zoet water, gebruik maken van extra zoet wateraanvoerroutes en beperken van watergebruik. Voor de lange termijn wordt gezocht naar een fundamentele oplossing om het aanbod van zoet water te vergroten en de vraag te beperken. Ontziltingsinstallaties bouwen wordt niet expliciet genoemd als mogelijke oplossing, maar past wel bij de uitgangspunten omdat het het aanbod van zoet water vergroot en bijdraagt aan regionale zelfvoorzienendheid.

 

 

In de Europese Waterschaarste- en droogtestrategie, het belangrijkste Europese beleidskader voor zoetwatervoorziening in tijden van klimaatverandering, komt ontzilting wel voor.Deze strategie is niet uitgewerkt in een richtlijn met bindende regels. Maar de Commissie kan de lidstaten wel aansporen dit beleidsdocument toe te passen  bij de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. De Waterschaarste- en droogtestrategie voorziet in zes beleidsopties om waterschaarste en droogte-problemen het hoofd te bieden:

- watergebruik adequaat beprijzen;
- efficiëntere allocatie van water en watergerelateerde subsidies;
- droogterisicomanagement verbeteren;
- aanvullende waterinfrastructuur overwegen;
- een waterbesparingscultuur bevorderen;
- kennis vergroten en data verzamelen.

 

Gelet op het enorme potentieel voor waterbesparing in Europa, beveelt de strategie aan om een waterhiërarchie te hanteren. Dat betekent eerst maatregelen treffen die de watervraag beperken en dan pas aanvullende waterinfrastructuur (zoals een ontziltingsinstallatie) overwegen.Ontzilting kan dan een manier zijn om de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te bereiken: te zorgen voor voldoende oppervlaktewater voor de ecologische functies en om onttrekking en aanvulling van grondwater met elkaar in balans te brengen (zie art. 4 KRW). Overigens lijkt de waterhiërarchie aanpak niet te worden voortgezet.

 

De Europese Commissie focust in het in 2012 uitgebrachte beleidsdocument ’The Blueprint to safeguard Europe’s water resources’   voor de zoetwatervoorziening op water efficiency. Dit beleidsdocument werkt een aantal maatregelen uit waaraan de EU een steentje kan bijdragen. Dit zijn onder andere het handhaven op naleving van de beprijzingsbepaling uit de KRW, waterbesparende producteisen invoeren en versterken van irrigatie-efficiëntie via het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Deze opties worden niet gepresenteerd als onderdeel van een waterhiërarchie. En de Blueprint zegt niets over ontziltingsinstallaties als manier om het aanbod van zoet water te vergroten.Volgens de Europese waterschaarste en droogtestrategie hangt waterschaarste vaak samen met ineffectieve beprijzing van watergebruik, waarbij de kosten over het algemeen niet de lokale beschikbaarheid van water weerspiegelen. Deze redenering gaat niet direct op ten aanzien van het Nederlandse drinkwatergebruik. Het regionale drinkwaterbedrijf beprijst drinkwater immers op basis van doorberekening van de gemaakte kosten. Doordat de kosten, en daarmee de prijzen, laag zijn  vormen deze geen prikkel tot waterbesparing. Ook ontzilting van brak water zal niet zo duur uitpakken. Experimenteren met ontziltingsinstallaties lijken dus een redelijke optie om verzilting het hoofd te bieden en de drinkwatervoorziening veilig te stellen

 

 

 

2.Europese eisen aan brijnlozing
Het Europese juridische kader voor waterkwaliteit wordt vooral gevormd door de KRW, de Richtlijn Prioritaire Stoffen (RPS) en de Grondwaterrichtlijn (GWR). Deze richtlijnen hebben tot doel de chemische en ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Ze bieden algemene kaders voor de vaststelling van waterkwaliteitseisen, stroomgebiedbeheerplannen en maatregelenprogramma’s. In de bijlagen bij deze richtlijnen worden in brijn voorkomende stoffen genoemd, zoals chloride, metalloïden en metalen.

 

Nationale regulering van brijnlozing is noodzakelijk om de KRW-doelstellingen te bereiken. Om dit te kunnen bereiken moeten deze doelstellingen worden vertaald naar Europese en nationale normen die aangeven waaraan de (chemische en ecologische) waterkwaliteit en (grond)waterkwantiteit moeten voldoen. Als niet aan deze eisen wordt voldaan, moet de lidstaat maatregelen treffen of een KRW uitzonderingsgrond –  fasering, doelverlaging, tijdelijke achteruitgang, nieuwe duurzame ontwikkelingen of veranderingen – inroepen.

 

Lozingsvergunning
Op grond van zowel de RPS als de GWR geldt voor brijnlozing dat deze – afhankelijk van de stoffen die aanwezig zijn in de lozing – voorkomen dan wel beperkt moet worden. Dit maakt lozing van brijn problematisch, maar niet per definitie ontoelaatbaar. De KRW biedt de mogelijkheid via een individuele toestemming (ontheffing of vergunning) voor de lozing van verontreinigende stoffen af te wijken van het verbod op de directe lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater. Ook op grond van de GWR is het mogelijk een vergunning voor directe lozingen in grondwater te verlenen, mits de lozing de chemische toestand van het grondwater niet verslechtert en geen significante en aanhoudende stijgende trend in het grondwater veroorzaakt. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met de beste milieupraktijken en de best beschikbare technieken uit de toepasselijke Europese wetgeving. Bovendien moet het grondwaterlichaam goed worden gemonitord.

 

3 Nederlandse eisen aan brijnlozing
In Nederland zijn er al vele  ontziltingsinstallaties in werking die brijn lozen in de ondergrond, op het riool of op zee. Op basis van de nationale (water)wetgeving kan de overheid lozing van brijn door een ontziltingsinstallatie reguleren. De provincie Zuid Holland stelde ten aanzien van ontziltingsinstallaties en brijnlozingen restrictief beleid voor, omdat inmiddels honderden tuinders ontzilting toepassen. De grondwaterkwaliteit in Zuid-Holland wordt hiermee behoorlijk bedreigd.

Zuid-Holland wilde  brijnlozingen na 2013  in principe niet meer  toestaan als die niet voldoen aan het Lozingenbesluit bodembescherming. Dit is in de Tweede Kamer besproken en vervolgens is een gedoogregeling van tien jaar bepleit en goedgekeurd voor de 400 bestaande lozingen in Zuid-Holland.

 

 

Ridderkerk
Het drinkwaterbedrijf Oasen is in Ridderkerk een proefproject gestart om op innovatieve en energiezuinige wijze (0,6 kWh per m3 water) brak grondwater op diepte te ontzilten voor de levering van drinkwater. De installatie in de winput  werkt op basis van omgekeerde osmose en maakt gebruik van de aanwezige hydrostatische waterdruk. Het drinkwater wordt naar het maaiveld gepompt terwijl het brijn in de bodem achterblijft en  wordt geloosd in  dieper gelegen, eveneens zout,  grondwater.

De installatie kent twee filtertrajecten. Het eerste filtertraject onttrekt het brakke water, waarna het door het omgekeerde osmose membraan wordt gefilterd. Het tweede filtertraject infiltreert het brijn naar een dieper gelegen laag van soortgelijke waterkwaliteit. Op deze locatie en diepte gaat het dan om natuurlijk, gebiedseigen grondwater met twee keer verhoogde concentraties van deze gebiedseigen stoffen. Omdat er tussen onttrekkingsfilter en infiltratiefilter kleilagen aanwezig zijn, worden kortsluitstroming en nestvervuiling (het lozen van brijn in de laag met grondwater dat wordt opgepompt om ontzilt te worden) voorkomen.

 

Het project in Ridderkerk dient als  voorbeeld van  de regulering die  in Nederland van toepassing is op een  ontziltingsinstallatie voor de winning van drinkwater met brijnlozing in de diepe ondergrond.

 

Waterwet en andere wetgeving
Zowel voor de winning van grondwater als voor de lozing van brijn in de ondergrond is een watervergunning vereist op grond van de Waterwet. Daarnaast is - als het brijn op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte wordt geloosd – een omgevingsvergunning nodig voor de oprichting van de installatie op basis van de Mijnbouwwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

 

 

De lozing van brijn is problematisch omdat het brijn stoffen bevat die voorkomen op Lijst I of II, zoals chloride, metalloïden en metalen. Voor deze stoffen gelden kwaliteitseisen om de goede chemische toestand van grondwaterlichamen te kunnen bereiken. De drempelwaarden zijn per grondwaterlichaam verschillend, vooral ten aanzien van chloride. Zo is bijvoorbeeld voor het grondwaterlichaam ‘Zand Rijn-Oost’ (Oost-Nederland) voor chloride de minimale drempelwaarde van 140 mg/l vastgesteld, terwijl voor het grondwaterlichaam ‘Zout Rijn-West’ (West-Nederland) een drempelwaarde als ‘niet relevant’ wordt beschouwd. Reden hiervoor is dat voor grondwaterlichamen met (natuurlijke) zoutwatersystemen geen drempelwaarden voor chloride zijn afgeleid.

De drempelwaarden voor de in het brijn voorkomende metalloïden en metalen, zoals arseen (15,0 μg/l) en nikkel (30,0 μg/l) zijn voor Zand Rijn-Oost en Zout Rijn-West gelijk.

 

Op grond van de Waterwet is het mogelijk om op basis van maatschappelijke afwegingen van de kwaliteitseisen af te wijken in waterplannen of beleid. Dit neemt niet weg dat bij elk individueel besluit rekening moet worden gehouden met de KRW-doelstellingen voor het bedoelde waterlichaam.

Al was het maar omdat een bestuursorgaan op grond van de Algemene wet bestuursrecht bij het nemen van besluiten rekening dient te houden met zijn eigen beleid, waaronder dus ook de waterplannen.

 

Lozingenbesluit bodembescherming
Het bestaande beleid voor brijnlozingen is gebaseerd op het Lozingenbesluit bodembescherming. Voor een lozing in de bodem buiten een inrichting mag onder voorwaarden ontheffing worden verleend voor hoogstens vier jaar. Hierbij is relevant hoe schadelijk de stof is en of deze voorkomt op Lijst Iof Lijst II

bij het Lozingenbesluit bodembescherming. Dit besluit dient ook ter implementatie van de KRW en de GWR. Het hangt dus in de eerste plaats van de samenstelling van het brijn af of een ontheffing voor een lozing al dan niet kan worden verleend.

 

Op basis van informatie over de samenstelling van het diepere, brakke grondwater ter plekke (afkomstig van een waarnemingsput binnen het wingebied), kan de meest waarschijnlijke samenstelling van het brijn worden bepaald. Het brakke grondwater uit de winput in Ridderkerk bevat stoffen die zowel in Lijst I als II staan, zoals chloride, metalloïden en metalen (waaronder arseen, barium en nikkel.). De chlorideconcentratie in het brakke grondwater ligt tussen de 150-1000 mg/l. Het membraan heeft een beoogde  “recovery” van 50%. De concentraties van deze stoffen in het brijn worden daarmee verdubbeld. Uit berekeningen volgt dan dat een aantal van deze metalloïden en metalen, waaronder arseen, barium en nikkel de streefwaarden zullen overschrijden.

De interventiewaardenworden echter niet overschreden, wat betekent dat er geen sprake is van ernstige verontreiniging.

 

 

Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 vervalt het Lozingenbesluit bodembescherming. In plaats daarvan gelden het Besluit algemene regels voor inrichtingen voor milieubeheer (Activiteitenbesluit) en het Besluit lozen buiten inrichtingen. Omdat de drinkwaterinstallatie onder het begrip inrichting valt, zou de lozing van brijn afkomstig van ontzilting van brak grondwater voor de drinkwaterbereiding ook kunnen worden gereguleerd op basis van het Activiteitenbesluit.

 

Advies Technische Commissie Bodem
De Technische Commissie Bodem heeft advies gegeven over de regulering van  brijnlozingen door de agrarische sector. De commissie concludeert dat het lozen van brijn, ontstaan bij het geschikt maken van brak grondwater als gietwater ten behoeve van de tuinbouw, niet past binnen de randvoorwaarden van duurzaam gebruik en als laatste optie moet worden gezien. Daarbij moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • de chlorideconcentratie van het brijn is ongeveer gelijk aan, dan wel lager dan de chlorideconcentratie van het water waarbinnen het brijn wordt geloosd;
  • de concentraties van andere stoffen in het brijn voldoen aan de voor deze stoffen in het ontvangende water gestelde normen;
  • tussen de laag waaruit het grondwater wordt opgepompt en de laag waarin het brijn wordt geloosd, dient een waterscheidende laag aanwezig te zijn;

voor het oppompen van grondwater en lozen van brijn is een collectief systeem het uitgangspunt. Een collectief systeem heeft als voordeel dat er weer mogelijkheden ontstaan om het brijn in dieper gelegen grondwaterlagen te infiltreren of naar zoute wateren af te voeren, omdat het dan betaalbaar zal worden. Daarbij mogen de in het brijn aanwezige stoffen, anders dan chloride, de geldende normen niet overschrijden. Bovendien dient controle op het proces plaats te vinden;

de kwaliteit van het grondwater in het eerste en tweede watervoerend pakket dient gemonitord te worden. Dit geldt ook voor het te lozen brijn. Op deze wijze kan worden geverifieerd of wordt voldaan aan het stand-still-beginsel.

 

De voorwaarden die de Technische Commissie Bodem heeft ontwikkeld ten aanzien van de lozing van brijn, kunnen ook worden gebruikt ter regulering van brijnlozing door een drinkwaterbedrijf. Alleen voorwaarde 4, waarin een collectief systeem wordt voorgesteld, is niet relevant voor drinkwaterbedrijven. Vanwege de schaal van de winning en de mogelijkheid om kosten door te berekenen aan klanten, is het  voor drinkwaterbedrijven ook individueel mogelijk om op zeer zorgvuldige wijze brijn te lozen en de waterkwaliteit te monitoren. De Technische Commissie Bodem heeft geen aandacht besteed aan energiezuinigheid en de maximaal te onttrekken hoeveelheid brak grondwater ter voorkoming van uitputting van de voorraad brak water en van bodemdaling. Het zou verstandig zijn als het Ministerie van I en M ook over deze aspecten advies in zou winnen, net als over de voorwaarden waaraan lozing van brijn in verziltende rivieren moet voldoen.

 

 

 

4Conclusie
Klimaatverandering heeft grote consequenties voor het waterbeheer. Zo versterkt klimaatverandering het autonome proces van verzilting in West-Nederland. Waterschaarste vormt een nieuwe bedreiging waar Nederlanders aan zullen moeten wennen. Er zal gezocht moeten worden naar alternatieve bronnen. Een alternatieve bron voor de bereiding van drinkwater is de toepassing van ontzilting van brak water door omgekeerde osmose. Dat is relatief nieuw in Nederland maar geen nieuw verschijnsel in Europa.. De Europese Waterschaarste- en droogtestrategie beveelt aan om dergelijke extra infrastructuur pas te overwegen als andere opties om met waterschaarste om te gaan, zoals zuiniger omgaan met water, zijn uitgeput.

 

Vanwege het autonome proces van verzilting en de bestaande beprijzing van drinkwater in lijn met het 'gebruiker betaalt'-beginsel van de KRW, lijkt experimenteren met ontziltingsinstallaties een geschikte adaptatiemaatregel om de zoetwatervoorziening in West-Nederland te beschermen. Er zijn uiteraard ook andere oplossingen denkbaar. Zo beveelt de Commissie Veerman aan om het water voor West-Nederland aan te voeren vanuit het IJsselmeer en in het westen op te slaan in diepe polders. De haalbaarheid van deze oplossing hangt echter nauw samen met de haalbaarheid van de controversiële peilstijging van het IJsselmeer met anderhalve meter.

 

Het gebruik van ontziltingsinstallaties en daarmee samenhangend de schade die lozing van brijn kan veroorzaken maakt regulering noodzakelijk. Lozing op grondwater, oppervlaktewater en kustwater kan leiden tot verontreiniging daarvan en tot schade aan ecosystemen. Gelet op de doelstellingen van de KRW, moeten de lidstaten brijnlozingen dusdanig reguleren dat deze het (water) milieu zo min mogelijk belasten. Door het gebrek aan sturing vanuit de EU ontstaat het risico dat lozingen van ontziltingsinstallaties ongereguleerd blijven. In Nederland is voor de landbouwsector uitgedacht aan welke voorwaarden brijnlozingen moeten voldoen om toelaatbaar te zijn. Deze eisen zijn nog niet vertaald in bindende regelgeving. Uit onze analyse blijkt dat het denkbaar is om binnen de huidige wettelijke kaders een geschikt juridisch kader te ontwikkelen, dat gebruik van ontziltingsinstallaties om de zoetwatervoorziening in west Nederland veilig te stellen. mogelijk maakt.

 

De volgende voorwaarden zijn relevant bij de ontwikkeling van een juridisch kader voor de regulering van de lozing van brijn in grondwater: (1) De chlorideconcentratie van het brijn is ongeveer gelijk aan, dan wel lager dan de chlorideconcentratie van het water waarop het brijn wordt geloosd. De concentratie van andere stoffen in het brijn voldoet aan de voor deze stoffen in het ontvangende water gestelde normen. (2) De in het brijn aanwezige stoffen, anders dan chloride, mogen de geldende normen niet overschrijden. (3) Er dient een waterscheidende laag aanwezig te zijn tussen de laag waaruit het grondwater wordt opgepompt en de laag waarin het brijn wordt geloosd. (4) Er dient controle op het proces plaats te vinden. De kwaliteit van het te lozen brijn en het ontvangende water dient gemonitord te worden. Op deze wijze kan worden geverifieerd of wordt voldaan aan het stand-still-beginsel. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan (5) energiezuinigheid en (6) de maximaal te onttrekken hoeveelheid brak grondwater ter voorkoming van uitputting van de voorraad brak water en van bodemdaling.

 

 

Afbreken van geneesmiddelen kan met veel minder energie

Microverontreinigingen, zoals geneesmiddelen en pesticiden, komen steeds meer voor in waterbronnen. Behandeling in een UV/H2O2-reactor is een manier om ze af te breken, maar dit vraagt veel energie. KWR Watercycle Research Institute heeft in samenwerking met Wetsus modellen ontwikkeld waarmee proces en reactor verbeterd kunnen worden. De verbeterde reactoren zijn gebouwd door Van Remmen UV Techniek; ze gebruiken 30 tot 40 procent minder energie voor hetzelfde resultaat.

Affiniteitsadsorptie in de waterzuivering

Download hier een pdf van dit artikel.

Veel microverontreinigingen komen in het milieu terecht door menselijk toedoen. Tot deze stoffen horen drugs, industriële chemicaliën en medicijnen [1-4]. De belangrijkste weg waarlangs medicijnen in het milieu terechtkomen, is het toilet. Medicijnen worden vaak niet of slechts gedeeltelijk afgebroken in het lichaam, en komen dan via de urine in het afvalwater terecht. Rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn in de regel niet ontworpen om dergelijke verbindingen af te breken. In het oppervlaktewater worden sommige van de stoffen door organismen opgenomen, en zo belanden ze in de voedselketen. Daarnaast wordt het oppervlaktewater vaak gebruikt als in bron voor drinkwater.

Waterbehandeling
De huidige gebruikelijke waterzuiveringsmethoden zijn helaas soms niet voldoende. Ze zijn niet effectief genoeg (geactiveerd kool), duur (omgekeerde osmose) of vormen schadelijke bijproducten (oxidatieprocessen), die vervolgens ook weer verwijderd moeten worden. Vandaar dat het zinvol is het probleem op een andere manier op te lossen. Daarvoor is het belangrijk om te begrijpen wat de situatie met deze stoffen zo lastig maakt.

Polariteit en lading
De bovengenoemde verbindingen zijn meestal polair ofwel geladen. Over het algemeen lossen polaire stoffen goed op in water: ze zijn hydrofiel. Ze kunnen moeilijk verwijderd worden met behulp van actieve kool. Maar waar komt dat precies door?
Polaire stoffen hebben atomen zoals stikstof, zuurstof of waterstof in hun molecuulstructuur. Doordat de atomen verschillen in electronegativiteit, is er sprake van een ladingsverdeling in het molecuul, terwijl het molecuul als geheel wel neutraal is. Dankzij deze zogenaamde functionele groepen kunnen ze ook met andere moleculen, die eveneens dergelijke groepen bevatten, waterstofbruggen vormen of dipool-dipool interacties aangaan. Waterstofbruggen zijn energetisch zeer stabiele bindingen en spelen ook voor water een belangrijke rol. Water is immers ook een polair molecuul. Het kan waterstofbruggen vormen, zowel met zichzelf als met andere polaire stoffen.
Ionogene verbindingen vallen in water vaak uit elkaar in ionen. De meest prominente voorbeelden zijn carboxylaat (COO-) and sulfonaat (OSO2-). Bij het oplossen van ionogene verbindingen rangschikken de polaire watermoleculen zich rondom het kation en rondom het anion. De vorming van een dergelijke watermantel is energetisch blijkbaar erg gunstig.

Waterstructuur
Momenteel wordt actieve kool veel toegepast om voornamelijk apolaire stoffen uit het water te halen. Dit werkt omdat deze verbindingen niet de mogelijkheid hebben met water een wisselwerking aan te gaan door waterstofbruggen te vormen. Komt dat echter doordat het voor deze stoffen zelf gunstig is om niet in het water op te lossen, of doordat het voor het water energetisch gunstiger is als ze niet oplossen?

Watermoleculen vormen een energetisch stabiel netwerk doordat ze onderling een structuur opbouwen via waterstofbruggen. Verstoring van deze structuur kost energie. Juist dit zal gebeuren als er een molecuul oplost dat niet polair is. De onderlinge structuur van de watermoleculen moet verbroken worden (vorming van een holte) en het apolaire molecuul moet er tussen geplaatst worden (zie afbeelding 1). Deze toestand is energetisch niet gunstig. Dus, als er een betere plek voor het apolaire molecuul is, zal het daarnaartoe gaan en kan het water zijn energetisch gunstige structuur herstellen. Alleen verbindingen die net als water waterstofbruggen kunnen vormen, kunnen een holte in het water goed vullen. Heel veel polaire verbindingen, zoals bijvoorbeeld medicijnen, hebben juist deze eigenschap. Als er voldoende mogelijkheden zijn voor de watermoleculen om met het polaire molecuul waterstofbruggen te vormen, dan zal dit molecuul moeilijk uit het water kunnen worden verwijderd met de huidige adsorptietechnieken.

1305-08 Figure 1
Afbeelding 1. Watermoleculen in puur water, met een apolaire stof en een polaire stof

Stippellijnen zijn waterstofbruggen. Niet alle mogelijkheden zijn ingetekend.

Water is polair: het op zich neutrale molecuul is asymmetrisch. Aan de kant van het zuurstofatoom bevindt zich daardoor een kleine negatieve lading, terwijl de kant van de wateratomen enigszins positief geladen is (zie afbeelding 2). Deze eigenschap wordt gebruikt om zouten op te lossen. De polaire moleculen vormen een watermantel om de ionen heen. Heel veel medicijnen worden toegepast als organische zouten. Dit maakt hun toepassing eenvoudiger (ze zijn met water in te nemen) en hun werking effectiever (een opgeloste stof wordt sneller opgenomen door een organisme dan een vaste verbinding). zouten lossen goed op in water doordat de polaire moleculen een watermantel om de ionen kunnen vormen.

1305-08 Figure 2

Afbeelding 2. Watermoleculen met waterstofbrug en ladingsverdeling

Actieve Kool
Waarom kunnen polaire en ionogene stoffen amper of niet uit het water worden geadsorbeerd? Uit onderzoek is gebleken dat de adsorptie van stoffen op het oppervlak van actieve kool vooral berust op hydrofobe interacties tussen de kool en apolaire groepen, zoals alifatische ketens of aromaten, in een molecuul. Natuurlijk organisch materiaal bevat relatief veel van dergelijke groepen, en zal dus vrij goed door actieve kool geadsorbeerd worden. Veel organische microverontreinigingen zijn relatief kleine verbindingen, die dergelijke interacties moeilijker kunnen aangaan. Vaak worden ze in eerste instantie door onbeladen kool nog wel geadsorbeerd, maar na verloop van tijd worden ze vervangen door grotere, hydrofobe verbindingen, die stabielere interacties met het kooloppervlak vormen. De hydrofielere verbindingen komen dan weer vrij: ze ‘slaan door’. Meer actieve kool in te zetten zal voor sommige verbindingen een oplossing bieden, maar heel veel stoffen zullen nooit voldoende aan kool adsorberen of zullen relatief snel doorslaan. Hier moet dus een alternatief plan worden bedacht.


Alternatieve adsorbentia
In principe zou je gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om waterstofbruggen te vormen, door een adsorbens toe te passen dat die eigenschap ook heeft. Helaas schuilt er een addertje onder het gras [5], want als het adsorptiemateriaal met de polaire stoffen waterstofbruggen kan vormen, dan lukt dat ook met water. Uiteraard zijn er veel meer watermoleculen aanwezig dan moleculen van de verontreinigende stof. Dus zullen alle adsorptieplekken op het adsorptiemateriaal direct door watermoleculen worden bezet. Om met succes dergelijke verbindingen uit het water te halen moet je een materiaal inzetten dat gebruik maakt van een specifieke interactie met een functionele groep in het molecuul. Dit principe heet affiniteitsadsorptie. Inmiddels is aangetoond dat zelfs een polair molecuul met veel O- en N-functionele groepen nog via specifieke interacties (eventueel in combinatie met interacties met zijn hydrofobe deel) kan adsorberen [5]. Bovendien lijkt het erop er dat bij affiniteitsadsorptie minder concurrentie door natuurlijk organisch materiaal (NOM) plaatsvindt, wat ook weer gunstig is voor de verwijdering van organische microverontreinigingen. Tot nu toe is er echter nog geen materiaal beschikbaar voor grootschalige waterzuivering. Hier moet nog veel onderzoek naar plaatsvinden.

Voor geladen stoffen is de situatie een stukje eenvoudiger. Hier is juist een goede kans om dit soort moleculen uit het water te halen. Als je een adsorptiemateriaal kunt aanbieden dat (tegengesteld) geladen groepen bevat, dan zal het geladen molecuul eraan adsorberen (beter dan aan geactiveerde kool). Voor dit molecuul is het immers energetisch voordeliger met een geladen groep een wisselwerking aan te gaan dan met watermoleculen. Dus is een materiaal met ionenwisselaar-kwaliteiten voor geladen stoffen aantoonbaar effectiever dan geactiveerde kool (zie Tabel 1). Ook zal water liever met zichzelf waterstofbruggen vormen dan een watermantel te moeten vormen rondom een geladen molecuul.

1305-08 tabel1

Een punt verdient zeker nog aandacht, namelijk het feit dat in water ook altijd anorganische zouten zitten. Deze kunnen uiteraard ook met geladen groepen op een materiaal een interactie aangaan. Afhankelijk van het type zout en de hoeveelheid heeft dit ook invloed op de adsorptie. Tabel 2 laat zien dat anorganische ionen – zowel anionen als kationen – invloed hebben op het adsorptiegedrag van de organische ionen. Als je een adsorbens gebruikt dat alleen maar ionogene groepen bevat dan kunnen organische en anorganische ionen in principe even goed aan het materiaal adsorberen. Maar gebruik je bijvoorbeeld een organisch polymeer dat naast ionogene interacties ook hydrofobe interacties kan aangaan, dan zal het organische molecuul gemakkelijker adsorberen. Dat komt doordat de aantrekking tussen de geladen delen en de wisselwerking tussen de hydrofobe delen van het molecuul en het polymeer elkaar ondersteunen [6].

1305-08 tabel2

Hoe kan het probleem worden opgelost
Een elegante manier om bijvoorbeeld medicijnen uit het water te verwijderen, is het gebruiken van specifieke elementen in hun structuur. Door een gunstige interactie te bewerkstelligen tussen bepaalde oppervlaktegroepen en functionele groepen in de molecuulstructuur, in combinatie met hydrofobe interacties tussen het dragermateriaal en het organische deel van het molecuul, kan een effectieve adsorptie van het medicijn worden verkregen. Hierbij spelen concurrentie – bijvoorbeeld door natuurlijk organisch materiaal (NOM) – en de vorming van waterstofbruggen geen belangrijke rol meer. Een voorbeeld is gegeven in afbeelding 3. Hierbij is gebruik gemaakt van OASIS MAX als adsorbens: polymeerdeeltjes met een positieve lading op het oppervlak, dat geen waterstofbruggen kan vormen. Het kan wel een interactie aangaan met negatief geladen verbindingen in het water. De resultaten van adsorptie-experimenten met dit materiaal zijn vergeleken met de adsorptie aan poederkool (PAC). In Milli-Q-water voldoen actieve kool en OASIS MAX vrijwel even goed voor de adsorptie van een geselecteerde set medicijnen. Zo gauw echter ook NOM aanwezig is – in drinkwater – is door de concurrentie van NOM de poederkool veel minder effectief. Op OASIS MAX treedt dit concurrentie-effect niet op, hier is de verwijdering hetzelfde als in Milli-Q-water.

1305-08 figuur 3 DS LR


Afbeelding 3. Adsorptie van enkele veelgebruikte medicijnen op OASIS MAX [7] Links: adsorptie in Milli-Q-water; rechts: adsorptie in Nieuwegeins drinkwater.

Een vergelijkbaar resultaat werd verkregen door gebruik te maken van andere combinaties van adsorbentia en functionele groepen in moleculen [7]. Deze experimenten laten zien dat nieuwe materialen, zoals gefunctionaliseerde polymeren, nieuwe mogelijkheden bieden voor de zuivering van water ten behoeve van de drinkwaterbereiding.

Literatuur

  1. Schriks, M.; Heringa, M. B.; van der Kooi, M. M. E.; Voogt, P.; van Wezel, A. P., Toxicological relevance of emerging contaminants for drinking water quality. Water Res. 2010, 44, 461-476.
    2.    Eschauzier, C.; Haftka, J.; Stuyfzand, P. J.; De Voogt, P., Perfluorinated compounds in infiltrated river rhine water and infiltrated rainwater in coastal dunes. Environ. Sci. Technol. 2010, 44, (19), 7450-7455.
    3.    Eschauzier, C.; Scholte-Veenendaal, P.; Voogt, P., Concentraties en gedrag van geperfluorideerde verbindingen in het drinkwaterproductieproces. H2O 2011, 20, 43-44.
    4.    Bijlsma, L.; Emke, E.; Hernández, F.; De Voogt, P., Investigation of drugs of abuse and relevant metabolites in Dutch sewage water by liquid chromatography coupled to high resolution mass spectrometry. Chemosphere 2012, 89, (11), 1399-1406.
    5.    Bäuerlein, P. S.; Mansell, J. E.; Ter Laak, T. L.; de Voogt, P., Sorption behavior of charged and neutral polar organic compounds on SPE materials – Which functional group governs sorption? Environ. Sci. Technol. 2012, 46, 954-961.
    6.    Bäuerlein, P. S.; ter Laak, T. L.; Hofman-Caris, R. C. H. M.; de Voogt, P.; Droge, S. T. J., Removal of charged micropollutants from water by ion-exchange polymers – effects of competing electrolytes. Water Res. 2012, 46, 5009 - 5018.
    7.    Hofman-Caris, C.H.Mde Jongh, ., C.M., Wols, B.A., Cornelissen, E.R., ter Laak, T.L., Dealing with pharmaceuticals in drinking water production; Occurrence in drinking water (sources) and removal efficiency of treatment techniques; BTO 2012.025

Afname geneesmiddelenconcentraties na inname Maaswater: verdunning of verwijdering?

Drinkwaterbedrijf WML neemt bij waterproductiebedrijf Heel, Maaswater in voor de productie van drinkwater. Het ingenomen water verblijft gemiddeld circa 1,5 jaar in het procesbekken ‘De Lange Vlieter’. Na oeverinfiltratie en bodempassage wordt het water gewonnen door 29 ontrekkingsputten en verder gezuiverd tot drinkwater. In de loop van het zuiveringsproces nemen de geneesmiddelconcentraties af door verwijdering en door verdunning met grondwater. Dit onderzoek laat zien hoe de verdunning en verwijdering die optreedt in de verschillende processtappen is te kwantificeren. Dit is van belang om het zuiveringsrendement in de verschillende stappen te kunnen bepalen.

Afstromend regenwater: wat is het echte rendement van bezinkvoorzieningen?

In diverse STOWA/RIONED-projecten is onderzoek gedaan naar de samenstelling van het regenwater en de behandelbaarheid in bezinkvoorzieningen. In dit artikel zijn de resultaten van deze onderzoeken gebundeld aan de hand van de hoofdvraag: wat is de bezinkbaarheid van de verontreinigingen in het regenwater uit gescheiden rioolstelsels in Nederland?

Afvalwater kostenneutraal en klimaatvriendelijk zuiveren met wilgen

Wilgenplantages bieden perspectieven om kostenneutraal effluent van rwzi’s of bedrijfsafvalwater te behandelen. Doordat wilgen veel water verdampen, wordt al het afvalwater waarmee de plantages worden bevloeid door de wilgen gebruikt en is er per saldo geen lozing. De opbrengst van de plantages kan gebruikt worden als brandstof en zo wordt CO2-uitstoot door verbranding van fossiele brandstoffen vermeden. Wilgenzuivering past perfect binnen het concept van de grondstoffen- en energiefabriek.

Afvalwaterzuivering in het verschiet voor La Paz, Bolivia

In La Paz kunnen 125.000 inwoners van de wijk Chuquiaguillo vanaf 2017 gebruik maken van verbeterde drinkwatervoorzieningen. Het afvalwatersysteem in Chuquiaguillo is hier niet op berekend. Het Masterplan van de Boliviaanse overheid wijst niet eenduidig naar een oplossing die op korte termijn is te realiseren. Dit artikel beschrijft een inventariserende studie naar het huidige afvalwatersysteem en de mogelijkheden voor een toekomstige afvalwaterzuivering. Een decentrale afvalwaterzuivering wordt aangeraden in de afzonderlijke stroomgebieden om op korte termijn resultaat te boeken. Qua technologie wordt er prioriteit gegeven aan het goedkoop verlagen van het biologische zuurstofverbruik (BOD) via sedimentatie en anaerobe insluiting (Imhofftank, e.d.).

Afwenteling mede bepalend voor het niet halen van KRW-doelstellingen

Met een afwentelingsonderzoek is in Rijn-Oost bepaald of afwenteling vanuit bovenstrooms gelegen watergangen bepalend is voor het niet voldoen aan de KRW-doelen. Daarbij is gekeken naar stofconcentraties op de grenzen van waterbeheergebieden. Op basis hiervan is geconstateerd dat er bij veel KRW-waterlichamen in Rijn-Oost sprake is van afwenteling, waaronder op de grens met Duitsland. De omvang van de afwenteling is bepaald door middel van vrachtberekeningen. Verder zijn de vismigratieknelpunten bepaald. Het afwentelingsonderzoek biedt een inhoudelijke basis voor het maken van onderlinge afspraken tussen waterbeheerders over het aanpakken van afwentelingsproblemen.

Akkerbouw in Noord-Nederland zoekt oplossingen voor groeiend watertekort

Download hier een pdf van dit artikel.

Voor de landbouw zullen de gemiddelde productieomstandigheden in de toekomst door stijging van de gemiddelde temperatuur en CO2-concentraties wellicht geleidelijk aan verbeteren. Agrariërs krijgen echter ook te maken met meer extreme weersituaties. Meer hittegolven, meer zware regenbuien en langere perioden van droogte.

Akoestische metingen brengen de leidingconditie in beeld

Het leidingnet in Nederland heeft een totale lengte van ongeveer 117.000 km. De totale vervangingswaarde wordt geschat op 20 tot 30 miljard euro. De prestaties op het gebied van de geleverde waterkwaliteit, het aantal leidingbreuken en het lekverlies zijn beter dan in de ons omringende landen. Het leidingnet kent een grote diversiteit aan leidingmaterialen; van een deel van de leidingen nadert het einde van de levensduur. Om de conditie van het net en de kwaliteit van levering op een aanvaardbaar niveau te houden, zal de komende decennia een deel van de leidingen vervangen worden. De vraag is hierbij: welke leidingen vervangen en op welk moment?

Alternatieven voor in-line kalibratie van debietmeters


Van de 22 rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) van Waterschap Hollansdse Delta lozen er 17 op rijkswater. De debietregistratie vindt plaats met in totaal 41 debietmeters. Conform artikel 7.9 lid 4 uit de Waterregeling moeten alle debietmeters voor 1 januari 2014 tenminste éénmaal in-line (nat) zijn gekalibreerd en daarna ten minste éénmaal per vijf jaar.

Werkwijze in-line kalibratie
Bij inline kalibratie maakt men gebruik van een extern gekalibreerde debietmeter van de meetbevoegde instantie die de kalibratie uitvoert. De gekalibreerde meter wordt vlak voor de belastingplichtige debietmeter ingebouwd waarna, over een periode van één week, het water door beide debietmeters wordt geleid. Vervolgens wordt de meetafwijking van de belastingplichtige debietmeter ten opzichte van de extern gekalibreerde debietmeter bepaald. Die meetafwijking mag niet meer dan 5% zijn. Na de kalibratie wordt de externe meter weer weggehaald (‘uitgebouwd’) en door de kalibratie-instantie meegenomen.

Nadelen in-line kalibratie
Aan het in- en uitbouwen van de extern gekalibreerde debietmeter kleven meerdere nadelen. Ten eerste zijn de werkzaamheden rond de in- en ombouw van de debietmeter omvangrijk en kostbaar. Tijdens het werk moet de aanvoer van afvalwater uit de gemeentelijke riolering worden stopgezet. Bij vertraging van de werkzaamheden of een onverwachte regenbui bestaat de kans op ongezuiverde overstort vanuit de gemeentelijke riolering met gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Een ander groot nadeel is dat tijdens de in- en uitbouw van de externe debietmeter over een lange tijd geen debietmeting beschikbaar is. Hierdoor functioneert de zuurstof- en de retourslibregeling tijdelijk niet, wat gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het geloosde effluent en daarmee voor het ontvangende oppervlaktewater. Daarnaast is het voor de inbouw van de externe debietmeter vaak nodig om het leidingwerk te veranderen. Soms ook is de in –en uitbouw van de externe debietmeter fysiek onmogelijk, of is het riskant omdat er geen hijsmogelijkheden zijn. Verder kan de meetbuis van de debietmeter door de werkzaamheden beschadigd raken.

Onderzoek alternatieve kalibratiemethodes
In 2003 heeft het waterschap de nadelen die het ondervond bij de uitvoering van de inline kalibratie onder de aandacht gebracht bij het Bureau Verontreinigingsheffing Rijkswateren. Het waterschap kreeg toestemming van het Bureau om de inline kalibratie te vervangen door kalibratie met een geijkte ultrasone debietmeting (clamp-on-meting). Deze methode bleek minder betrouwbaar te zijn dan de inline methode en is sinds 2009 niet meer toegestaan.
Op verzoek van het waterschap heeft procesautomatiseerder Endress+Hauser de haalbaarheid en de kosten geïnventariseerd van inline kalibratie voor iedere afzonderlijke debietmeter. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor alternatieve meetmethoden voor elke debietmeter onderzocht.

Er zijn per debietmeter vijf kalibratiemethoden onderzocht:
1.    inline kalibratie (conform artikel 7.9 lid 4 Waterregeling)
2.    referentieflowmeter met pneumatische procesaansluiting
3.    extern kalibreren
4.    clamp-on-meting
5.    uitliteren
Dit resulteerde in een eerstevoorkeur-advies per individuele debietmeter. Om objectieve en transparante keuzes te kunnen maken werd hiervoor een beslissingsboom gebruikt. De beslissingsboom maakte een expliciete en evenwichtige afweging mogelijk tussen de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de kalibratie enerzijds en de kosten, ongemakken en risico’s anderzijds.
Voor geen van de debietmeters is extern kalibreren of een clamp-on-meting als eerste voorkeur uit de bus gekomen. Het rapport is besproken met het Bureau Verontreinigingsheffing Rijkswateren, dat akkoord is gegaan met de voorstellen in het rapport.

Alternatieve meetmethoden
Voor de rwzi Rotterdam Dokhaven is een interessante methode gevonden waarmee alle vijf de debietmeters (DN900 en 1100) met één master-referentieflowmeter in-line gekalibreerd kunnen worden: door de aanwezige afsluiters met elkaar te combineren wordt het water omgeleid door de master-referentieflowmeter en daarna weer teruggevoerd naar de ontvangstkelder.
Een andere mogelijkheid is de toepassing van de referentieflowmeter met pneumatische procesaansluiting. Dit is een meting met een referentieflowmeting met een gekalibreerde debietmeter waaraan een balg is gemonteerd. De balg met debietmeter wordt in de open uitstroommond van de afvoerende leiding geschoven. De balg wordt opgepompt, waardoor de debietmeter gefixeerd blijft in de afvoerende leiding. Hierna wordt ter vergelijking met beide debietmeters een duurmeting uitgevoerd van 2.000 pulsen. Indien de onderlinge afwijking tussen de referentie flowmeter en te kalibreren flowmeter kleiner is dan 5% dan keurt de meetbevoegde instantie de flowmeter goed voor de volgende vijf jaar.
Deze methode is in Europa al jaren gemeengoed, maar er was nog weinig ervaring met de toepassing ervan op leidingen met een diameter > DN100. Er is nu door Endress+Hauser met succes een pilot uitgevoerd in de leidingen van de drie toevoerende rioolgemalen van rwzi Oud Beijerland. Bij de pilot waren ook het Bureau Verontreinigingsheffing Rijkswateren en de Waterdienst aanwezig. Het Bureau is akkoord gegaan met deze manier van meten.

Daar waar nodig wordt het leidingwerk van de debietmeters van Waterschap Hollandse Delta aangepast zodat de inline kalibratie overeenkomstig het eerstevoorkeur-advies kan worden uitgevoerd. Dan kan voor alle belastingplichtige debietmeters op een doelmatige manier voldaan worden aan de wettelijke ijkplicht.

Waternetwerk maakt gebruik van coockies om de gebruikerservaring te verbeteren. Als u onze site bezoekt, gaat u akkoord met het gebruik hiervan. Ik snap het